Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW7860

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-06-2012
Datum publicatie
11-06-2012
Zaaknummer
11-2449 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering Wet WIA-uitkering. Naar het oordeel van de door de Raad ingeschakelde deskundige zijn de beperkingen voor het verrichten van arbeid door het Uwv op de juiste wijze vastgelegd in de FML. Hij heeft geen andere neurologisch of psychiatrisch objectiveerbare beperkingen kunnen vaststellen. Appellant moet in staat worden geacht de aan hem door het Uwv voorgehouden passende arbeid te verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/2449 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 14 maart 2011, 10/569

(aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 8 juni 2012

Datum uitspraak 8 juni 2012.

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.G.M. van der Meer, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellant is een nader stuk overgelegd, waarop door het Uwv is gereageerd. Daarna zijn door appellant nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 18 november 2011. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Van der Meer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.R. El Abdoelhak.

Omdat de Raad van oordeel was dat het onderzoek niet volledig was geweest, heeft hij het onderzoek heropend.

Op verzoek van de Raad heeft de psychiater/neuroloog C.J.F. Kemperman appellant onderzocht en rapport uitgebracht. Appellant heeft op dit rapport gereageerd.

Beide partijen hebben toestemming gegeven om de zaak zonder nadere zitting af te doen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was werkzaam als hypotheekadviseur, toen hij zijn werkzaamheden op 7 september 2007 in verband met hoge koorts heeft moeten staken. Hij heeft een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

1.2. Appellant is onderzocht door een verzekeringsarts, die voor hem een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) heeft opgesteld. Vervolgens is rapport uitgebracht door een arbeidsdeskundige. Deze is tot de conclusie gekomen dat appellant weliswaar ongeschikt moest worden geacht voor zijn eigen werk als hypotheekadviseur, maar in andere arbeid een zodanig inkomen kan verdienen dat geen sprake is van een relevante mate van arbeidsongeschiktheid.

1.3. Bij besluit van 1 september 2009 heeft het Uwv geweigerd appellant met ingang van 4 september 2009 in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de Wet WIA. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.4. Appellant is onderzocht door een bezwaarverzekeringsarts. Deze is op basis van zijn eigen onderzoek van appellant en de beschikbare inlichtingen van appellants behandelend artsen tot het oordeel gekomen dat voor appellant te veel beperkingen voor het verrichten van arbeid zijn aangenomen, hij heeft de FML bijgesteld. Vervolgens is rapport uitgebracht door een bezwaararbeidsdeskundige. Deze is tot een hoger arbeidsongeschiktheidspercentage gekomen dan de arbeidsdeskundige, zij het dat dit onder de voor de Wet WIA relevante mate van arbeidsongeschiktheid van 35% blijft.

1.5. Bij het bestreden besluit van 2 februari 2010 heeft het Uwv zijn besluit van 1 september 2009 gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft appellants beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep (wederom) op het standpunt gesteld dat hij meer beperkt is voor het verrichten van arbeid dan waarvan het Uwv is uitgegaan.

4.1. Over het medisch aspect van de voorliggende beoordeling heeft de Raad zich laten voorlichten door de deskundige Kemperman. In zijn rapport van 13 maart 2012 is deze tot het oordeel gekomen dat bij appellant thans, en ook op de datum in geding, sprake was van een cognitieve stoornis en een persoonlijkheidsverandering na een doorgemaakte neurologische ziekte. Naar het oordeel van de deskundige zijn de beperkingen voor het verrichten van arbeid door het Uwv op de juiste wijze vastgelegd in de FML. Hij heeft geen andere neurologisch of psychiatrisch objectiveerbare beperkingen kunnen vaststellen.

4.2. Op basis van het advies van de deskundige Kemperman gaat de Raad ervan uit dat de FML juist is en dat voor appellant geen andere beperkingen gelden dan in die FML zijn vastgelegd.

4.3. Met de voor hem geldende beperkingen moet appellant in staat worden geacht de aan hem door het Uwv voorgehouden passende arbeid te verrichten. De belasting van de genoemde functies gaan de in de FML vastgelegde mogelijkheden niet te boven. Voor zover deze functies een belasting kennen die niet exact in de FML voorkomt, is de geschiktheid daarvan door het Uwv voldoende toegelicht.

4.4. Het onder 4.2 en 4.3 overwogene leidt tot het oordeel dat het hoger beroep niet kan slagen. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2012.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) J.R. Baas.

NW