Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW7797

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-06-2012
Datum publicatie
07-06-2012
Zaaknummer
10-5390 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Onder ‘zijn arbeid’ wordt verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Bij het Uwv, was voldoende inzicht in de aard en belasting van dat werk. Zorgvuldig medisch onderzoek. Geen reden te twijfelen aan de juistheid van de beoordeling door de (bezwaar)verzekeringsartsen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5390 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 25 augustus 2010, 09/8856 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 6 juni 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. Wolfert-Brouwer, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 25 april 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Wolfert-Brouwer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is in 2005 een motorongeval overkomen, waarbij hij hersenletsel heeft opgelopen. Hij is van 1 augustus 2007 tot en met 31 juli 2008 een dienstverband aangegaan als medewerker servicedienst bij een revalidatie hulpmiddelen centrum voor 40,5 uur per week. Op 27 maart 2008 heeft hij zich ziek gemeld vanwege hoofdpijn, desoriëntatie, geheugenverlies en psychische klachten. Aan appellant is een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.

1.2. Bij onderzoek van appellant op 1 oktober 2009 is de verzekeringsarts tot de conclusie gekomen dat appellant weer geschikt is voor het laatst verrichte werk. Het Uwv heeft bij besluit van 1 oktober 2009 de ZW-uitkering van appellant met ingang van 5 oktober 2009 beëindigd.

1.3. Bij besluit van 17 november 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 1 oktober 2009 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport ten grondslag van de bezwaarverzekeringsarts van 16 november 2009.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten. De rechtbank volgt het Uwv in het standpunt dat appellant in staat wordt geacht de eigen arbeid te verrichten.

3. Appellant kan zich niet verenigen met de aangevallen uitspraak en heeft in hoger beroep zijn standpunt herhaald dat hij te kampen heeft met de gevolgen van het in 2005 opgelopen hersenletsel. Deze klachten worden volgens hem door het Uwv onderschat en beletten hem om de eigen arbeid te verrichten.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1. Op grond van artikel 19 van de ZW bestaat recht op ziekengeld indien de verzekerde wegens ziekte of gebrek ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid. Onder ‘zijn arbeid’ wordt verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Nu appellant laatstelijk werkzaam is geweest als medewerker servicedienst is deze functie terecht als maatstaf arbeid aangemerkt. Naar het oordeel van de Raad bestond bij het Uwv, gelet op het rapport van de verzekeringsarts van 1 oktober 2009 en de overige beschikbare gegevens, voldoende inzicht in de aard en belasting van dat werk.

4.2. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de medische onderbouwing van het bestreden besluit. De daaraan ten grondslag liggende medische onderzoeken zijn voldoende zorgvuldig geweest en de Raad heeft evenmin reden te twijfelen aan de juistheid van de beoordeling door de (bezwaar)verzekeringsartsen. De verzekeringsarts stelde bij zijn onderzoek vast dat de revalidatiebehandeling was beëindigd. Verder had appellant al een paar maanden geen wegrakingen meer ondanks de staking van de medicatie. De verzekeringsarts constateerde na zijn onderzoek en bestudering van de medische informatie dat appellant met zijn huidige klachten en beperkingen voldoende belastbaar is voor het laatst verrichte werk. In bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts geen aanleiding gevonden voor een ander oordeel. Hij heeft onderzoek gedaan en de bij het revalidatiecentrum ingewonnen informatie bestudeerd. De adviezen naar aanleiding van het verrichte neuropsychologisch onderzoek zijn mogelijk nog steeds onverkort van toepassing, aldus de bezwaarverzekeringsarts, maar vormen geen aanleiding appellant ongeschikt te achten voor het eigen werk. Ook de in beroep ingebrachte medische informatie gaven hem geen argumenten om af te wijken van het oordeel van de verzekeringsarts hetgeen hij in het rapport van 9 februari 2010 nader heeft gemotiveerd.

4.3. Hetgeen in hoger beroep door appellant naar voren is gebracht, leidt de Raad niet tot een ander oordeel. Naar aanleiding van de door appellant ingezonden nadere medische gegevens heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 15 november 2011 er nog op gewezen dat uit die gegevens geen nieuwe medische feiten blijken en hem geen grond bieden voor andere inzichten. De Raad onderschrijft deze conclusie.

4.4. Hetgeen onder 4.1, 4.2 en 4.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en J. Riphagen en D.J. van der Vos als leden, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2012.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) N.S.A. El Hana.

KR