Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW7796

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-06-2012
Datum publicatie
08-06-2012
Zaaknummer
11-7529 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Onvoldoende medewerking. Appellante heeft niet voldaan aan de oproeping van de Raad om ter zitting te verschijnen, ondanks het feit dat zij, zoals haar is bericht, hiertoe verplicht was. Hierdoor kon de onderbouwing en houdbaarheid van appellantes betwisting van de bezorging van het besluit van 9 augustus 2011 niet worden onderzocht. De Raad maakt daarom de gevolgtrekkingen die hem geraden voorkomen en gaat bij het vaststellen van de feiten uit van de beschikbare gegevens. De Raad concludeert dat het besluit van 9 augustus 2011, waarin de oproep om voor een gesprek in het kantoor van de DWI te verschijnen op de voorgeschreven wijze aan appellante bekend is gemaakt. Appellante is op een termijn van twee dagen opgeroepen voor een gesprek en het inleveren van stukken. Deze termijn is niet zo kort dat het onmogelijk is om aan een dergelijke oproep gehoor te geven of om voorafgaand aan een gesprek (telefonisch) contact op te nemen met de DWI. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat persoonlijke problemen waarmee zij in die periode te maken had het voor haar onmogelijk maakten om op de afspraak te verschijnen dan wel om uitstel te vragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/7529 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 21 november 2011, 11/4835 en 11/4828 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak: 7 juni 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D. van der Wal, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2012. Appellante, hoewel daartoe opgeroepen, is niet verschenen. Het college, daartoe opgeroepen, heeft zich laten vertegenwoordigen door F.H.W. Fris.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB), laatstelijk sinds 24 januari 2008 naar de norm voor een alleenstaande ouder.

1.2. Het college heeft op 26 juli 2011 de informatie ontvangen dat appellante drie maanden zwanger is van haar vriend en sinds een aantal weken bij die vriend logeert. Naar aanleiding hiervan heeft het college een onderzoek doen instellen naar de rechtmatigheid van de aan haar verleende bijstand. Handhavingsspecialisten van de Dienst werk en inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) hebben daartoe op 3 augustus 2011 een huisbezoek afgelegd bij appellante. Op 4 augustus 2011 hebben zij op het kantoor van de DWI een nader gesprek met appellante gevoerd. Noch bij dit huisbezoek, noch tijdens dit gesprek kon appellante, daartoe verzocht, haar administratie tonen. Omdat hierdoor de onduidelijkheid over haar woon- en leefsituatie bleef bestaan, hebben de handhavingsspecialisten het onderzoek voortgezet. Daartoe heeft een handhavingspecialist van de DWI op 8 augustus 2011 een oproepbrief gedeponeerd in de brievenbus behorend bij het adres van appellante. Daarmee werd appellante opgeroepen om op 9 augustus 2011 om 13.00 uur te verschijnen op het kantoor van de DWI en om de in die brief genoemde stukken mee te nemen. Appellante heeft zonder bericht niet aan die oproep voldaan.

1.3. Het college heeft vervolgens bij besluit van 9 augustus 2011 het recht op bijstand met ingang van die datum opgeschort. Daarbij is appellante tevens opgeroepen om op 11 augustus 2011 om 14.00 uur op het kantoor van de DWI te verschijnen en om de in dat besluit vermelde stukken, waaronder bankafschriften van de laatste vier maanden, mee te nemen. Daarbij heeft het college meegedeeld dat de uitkering kan worden gestopt als appellante niet voldoende meewerkt. Appellante is opnieuw zonder bericht niet verschenen.

1.4. Bij besluit van 16 augustus 2011 heeft het college de bijstand van appellante met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB, met ingang van 9 augustus 2011 ingetrokken.

1.5. Bij besluit van 5 oktober 2011 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellante tegen het besluit van 16 augustus 2011 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank (rechtbank) het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 54, eerste lid, van de WWB bepaalt dat, indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, het college het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken kan opschorten. Ingevolge artikel 54, tweede lid, van de WWB doet het college mededeling van de opschorting aan de belanghebbende en nodigt hem uit binnen een door hen te stellen termijn het verzuim te herstellen. Artikel 54, vierde lid, van de WWB bepaalt dat, als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, het college na het verstrijken van deze termijn het besluit tot toekenning van bijstand kan intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.

4.2. Appellante heeft tegen de opschorting van het recht op bijstand geen rechtsmiddel ingesteld. In dit geding is slechts aan de orde de vraag of het bestreden besluit tot intrekking van de bijstand met ingang van 9 augustus 2011 in rechte stand kan houden. Niet is in geschil dat appellante niet aan de oproep heeft voldaan om op 11 augustus 2011 voor een gesprek in het kantoor van de DWI te verschijnen. Voorts staat vast dat de in de oproep vermelde, door appellante mee te nemen, gegevens van belang zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand.

4.3. Appellante betoogt dat het haar niet is te verwijten dat zij niet aan die oproep gevolg heeft gegeven. Zij stelt dat zij het besluit van 9 augustus 2011 niet op die datum heeft ontvangen, zodat zij niet in de gelegenheid is gesteld het eerdere verzuim te herstellen. Bovendien is de in het besluit van 9 augustus 2011 vermelde hersteltermijn veel te kort. Daardoor en vanwege problemen met haar gezondheid en binnen haar familie, kon zij niet op tijd reageren of naar het kantoor van de DWI komen.

4.4. Het in een brievenbus deponeren van een besluit kan voor de toepassing van artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden vergeleken met een niet-aangetekende verzending per post. Daarom is het bij betwisting van die deponering aan het college om aannemelijk te maken dat het besluit van 9 augustus 2011 op die datum daadwerkelijk bij appellante is bezorgd. In het handhavingrapport van 12 augustus 2011 hebben twee handhavingsspecialisten verklaard dat één van hen “op dinsdag 9 augustus 2011 omstreeks 13.30 uur de opschortingbrief heeft gedeponeerd in de brievenbus behorend aan het uitkeringsadres.” Dit rapport is op ambtseed opgemaakt en door beide handhavingsspecialisten ondertekend. Aan zodanige verklaring moet in het algemeen bijzondere betekenis worden toegekend.

4.5. Appellante heeft niet voldaan aan de oproeping van de Raad om ter zitting te verschijnen, ondanks het feit dat zij, zoals haar is bericht, daartoe op grond van artikel 8:27, eerste lid, van de Awb verplicht was. Hierdoor kon de onderbouwing en houdbaarheid van appellantes betwisting van de bezorging van het besluit van 9 augustus 2011 in het licht van de verklaring van de handhavingsspecialisten ter zitting niet worden onderzocht. De Raad zal daarom uit het niet verschijnen van appellante ter zitting, met toepassing van artikel 8:31 van de Awb in verbinding met artikel 21 van de Beroepswet, de gevolgtrekkingen maken die hem geraden voorkomen en bij het vaststellen van de feiten uitgaan van de beschikbare gegevens. Mede gelet hierop bestaat geen aanleiding om in dit geval te twijfelen aan de juistheid van de mededeling van de handhavingsspecialisten in het rapport van 12 augustus 2011. Het college heeft dus aannemelijk gemaakt dat het besluit van 9 augustus 2011 daadwerkelijk op die dag in de brievenbus behorend bij het adres van appellante is gedeponeerd. Dit betekent dat het besluit van 9 augustus 2011, waarin de betreffende oproep is vervat, op die dag op de voorgeschreven wijze aan appellante bekend is gemaakt.

4.6. Met het besluit van 9 augustus 2011 is appellante op een termijn van twee dagen opgeroepen voor een gesprek en het inleveren van stukken. Deze termijn is niet zo kort dat het onmogelijk is om aan een dergelijke oproep gehoor te geven of om voorafgaand aan een gesprek (telefonisch) contact op te nemen met de DWI. Appellante had dan bijvoorbeeld om uitstel kunnen vragen. Daarbij is van belang dat appellante kort daarvoor met het onderzoek naar haar recht op bijstand was geconfronteerd en dat zij de dag daarvoor ook al een brief had ontvangen met een oproep. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat persoonlijke problemen waarmee zij in die periode te maken had het voor haar onmogelijk maakten om op de afspraak te verschijnen dan wel om uitstel te vragen.

4.7. Gelet op het vorenstaande kan niet worden geoordeeld dat het appellante niet kan worden verweten dat zij verzuimd heeft tijdig de gevraagde gegevens en bewijsstukken te verstrekken. Daarom was het college bevoegd om de bijstand met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB in te trekken. Er is geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken om de bijstand van appellante per 9 augustus 2011 in te trekken.

4.8. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2012.

(get.) O.L.H.W.I. Korte.

(get.) N.M. van Gorkum.

HD