Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW7790

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-06-2012
Datum publicatie
07-06-2012
Zaaknummer
10-6796 WAJONG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAJONG-uitkering, omdat appellant niet als jongehandicapte in de zin van de wet wordt aangemerkt. Geen aanknopingspunten op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat de beperkingen van appellant niet juist zijn vastgesteld. Voor de met de ontwikkelingsproblematiek verband houdende moeite met plannen en organiseren heeft de verzekeringsarts in de categorie persoonlijk functioneren in de FML vermeld, dat appellant idealiter is aangewezen op goed gestructureerde, overzichtelijke werkzaamheden met korte opdrachten en enige afwisseling en tijdsdruk en waarbij monotonie vermeden moet worden. Daarnaast is in de FML rekening gehouden met de visus-problemen van appellant. Geschiktheid geduide functies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6796 WAJONG

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 8 november 2010, 10/1796 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).

Datum uitspraak: 1 juni 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L. Boon hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart 2012. Voor appellant is verschenen mr. Boon. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten.

II. OVERWEGINGEN

1. Op in dit geding aan de orde zijnde geschil is van toepassing de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), zoals die luidde tot 1 januari 2010.

2. Appellant, geboren [in] 1970, heeft een op 13 oktober 2009 gedateerde aanvraag om een uitkering ingevolge de Wajong ingediend.

3. Bij besluit van 11 december 2009 heeft het Uwv geweigerd om appellant een uitkering ingevolge de Wajong toe te kennen, omdat hij niet als jongehandicapte in de zin van de wet wordt aangemerkt.

4. Bij besluit van 21 mei 2010 (het bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 11 december 2009 ongegrond verklaard. Dit besluit berust op een onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige.

5. In beroep heeft appellant aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met de bij hem bestaande beperkingen en dat hij om medische redenen niet in staat is de geselecteerde functies te vervullen.

6. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank heeft de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.

7. In hoger beroep heeft appellant de gronden van beroep herhaald.

8. De Raad overweegt als volgt.

8.1. De rechtbank heeft ten aanzien van het wettelijk kader overwogen dat het bestreden besluit, gelet op de datum waarop de aanspraak betrekking heeft, te weten 5 december 1988, gelezen wordt als een weigering om een uitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toe te kennen. Gelet op overweging 1 en de verwijzing van de rechtbank naar de uitspraken van de Raad van 29 april 2008 (LJN BD1411) en 6 maart 2007 (LJN BA0905) begrijpt de Raad deze weigering als een weigering tot toekenning van de gevraagde Wajong-uitkering welke is beoordeeld aan de hand van de AAW.

8.2. Niet in geschil is dat appellant al rond zijn 17e en 18e jaar beperkingen ondervond als gevolg van de in 2009 als ADHD geduide ontwikkelingsproblematiek, in verband waarmee de verzekeringsarts in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) ook enige beperkingen heeft aangenomen. Met de rechtbank ziet de Raad in de beschikbare gegevens geen aanknopingspunten op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat de beperkingen van appellant niet juist zijn vastgesteld. In dit verband wijst de Raad erop dat voor de met de ontwikkelingsproblematiek verband houdende moeite met plannen en organiseren de verzekeringsarts in de categorie persoonlijk functioneren in de FML heeft vermeld, dat appellant idealiter is aangewezen op goed gestructureerde, overzichtelijke werkzaamheden met korte opdrachten en enige afwisseling en tijdsdruk en waarbij monotonie vermeden moet worden. Daarnaast is in de FML rekening gehouden met de visus-problemen van appellant. De stelling van appellant dat het Uwv zijn belastbaarheid heeft overschat en een aanvullende beperking aangenomen moet worden ten aanzien van herinneren, samenwerken, conflicthantering en autoriteit wordt niet gevolgd, omdat daarvoor in de beschikbare medische gegevens waaronder de in bezwaar door appellant overgelegde rapportage van psychiater D.W.W. de Knijff van 19 maart 2010 onvoldoende aanknopingspunten zijn.

8.3. Uitgaande van de juistheid van de medische beperkingen is de Raad voorts met de rechtbank van oordeel dat de functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, voor appellant in medisch opzicht als geschikt dienen te worden aangemerkt. Er is geen aanleiding om de door de bezwaararbeidsdeskundige op 29 april 2010 en 14 september 2010, en in hoger beroep op 8 maart 2012 gegeven toelichting, dat in de voorgehouden functies voldoende afwisseling voorkomt, met korte opdrachten en dat bij de functies geen sprake is van monotonie, niet te volgen. Namens appellant zijn geen stukken in geding gebracht op grond waarvan aan de juistheid van dat oordeel zou moeten worden getwijfeld. De Raad onderschrijft het oordeel ter zake van de rechtbank dan ook volledig.

8.4. Uit de overwegingen 8.1 tot en met 8.3 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en C.W.J. Schoor en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2012.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) I.J. Penning.

KR