Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW7785

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-06-2012
Datum publicatie
07-06-2012
Zaaknummer
10/2728 WWB + 10/2729 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand en terugvordering. Schending inlichtingenverplichting. Indien onroerende zaken in een officieel eigendomsregister op naam van een betrokkene staan geregistreerd is de vooronderstelling gerechtvaardigd dat deze zaken een bestanddeel vormen van het vermogen waarover hij daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. Appellanten zijn daarin niet geslaagd. Het college heeft terecht vastgesteld dat de waarde van het appartement gedurende de hier te beoordelen periode in elk geval boven de voor appellanten toepasselijke grens van het vrij te laten vermogen lag. Appellanten hebben hun stelling dat het appartement minder waard was in het geheel niet onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2728 WWB

10/2729 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 1 april 2010, 10/18 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)

Datum uitspraak: 5 juni 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft E.P. Groot, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting op 24 april 2012. Partijen zijn toen niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten ontvangen sinds 10 juli 2006 bijstand naar de norm voor gehuwden op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het vermogen van appellanten bij aanvang van de bijstand is op nihil gesteld.

1.2. Naar aanleiding van twee anonieme tips dat appellanten een eigen woning in Hong Kong bezitten heeft het Samenwerkingsverband Sociale Recherche Groningen (sociale recherche) het Internationaal Bureau Fraude-informatie van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (IBF) verzocht om een onderzoek te verrichten naar het vermogen van appellanten in Hong Kong. Op verzoek van het IBF heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken daar onderzoek naar laten doen. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 30 maart 2009. Appellanten zijn vervolgens op 18 augustus 2009 door de sociale recherche verhoord. De bevindingen van het door de sociale recherche verrichte onderzoek zijn neergelegd in een proces-verbaal dat is gesloten op 31 augustus 2009. De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 25 augustus 2009 de bijstand met ingang van 10 juli 2006 in te trekken en de kosten van de over de periode van 10 juli 2006 tot en met 31 juli 2009 verleende bijstand tot een bedrag van € 42.285,77 van appellanten terug te vorderen.

1.3. Bij besluit van 14 december 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 25 augustus 2009 ongegrond verklaard. Het bestreden besluit berust op de overweging dat appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden door niet bij het college te melden dat zij over een appartement in Hong Kong beschikken. Aangezien de waarde van dat appartement gedurende de periode van 10 juli 2006 tot en met 31 juli 2009 lag boven de toepasselijke grens van het vrij te laten vermogen hadden appellanten geen recht op bijstand.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Appellanten hebben aangevoerd dat het appartement in Hong Kong weliswaar al sinds 13 december 1988 op naam van appellanten staat, maar dat het gaat om familiebezit en dat het appartement niet vervreemd kan worden. Appellanten hebben dat tijdens hun verhoor door de sociale recherche al te kennen gegeven en hebben ook verklaringen van familieleden overgelegd. Deze beroepsgrond slaagt niet. Indien onroerende zaken in een officieel eigendomsregister op naam van een betrokkene staan geregistreerd is de vooronderstelling gerechtvaardigd dat deze zaken een bestanddeel vormen van het vermogen waarover hij daadwerkelijk beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. Appellanten zijn daarin niet geslaagd. De overgelegde verklaringen van de familieleden waarin zonder nadere onderbouwing wordt gesteld dat het appartement toebehoort aan appellant en zijn broer en zuster en dat appellant het daarom niet zelfstandig kan verkopen is daarvoor onvoldoende.

4.2. Appellanten hebben verder aangevoerd dat de waarde van het pand te hoog is ingeschat. Ook deze beroepsgrond treft geen doel. Uit het onder 1.2 genoemde rapport van 30 maart 2009 blijkt dat de aankoopwaarde van het appartement op 13 december 1988 HKD 248.0000,-- (tegen de huidige koers € 24.800,--) bedroeg. Volgens een lokale makelaar zou het appartement bij verkoop tussen HKD 880.000,-- en HKD 900.000,-- kunnen opleveren (tegen de huidige koers tussen € 88.000,-- en € 90.000,--). Via de ICBC (Asia) Bank is een zichttaxatie uitgevoerd waarbij de waarde van het appartement is geschat op HKD 880.000,-- (omgerekend tegen de huidige koers € 88.000,--). Op basis van deze gegevens heeft het college terecht vastgesteld dat de waarde van het appartement gedurende de hier te beoordelen periode, die loopt van 10 juli 2006 tot en met 25 augustus 2009, in elk geval boven de voor appellanten toepasselijke grens van het vrij te laten vermogen lag. Deze grens bedroeg in 2006 € 10.360,-- en in 2009 € 10.910,--. Appellanten hebben hun stelling dat het appartement minder waard was in het geheel niet onderbouwd.

4.3. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en H.C.P. Venema en Y.J. Klik als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2012.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) R.Scheffer.

HD