Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW7783

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-06-2012
Datum publicatie
07-06-2012
Zaaknummer
11-2762 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bezwaar tegen herziening WAO-uitkering opnieuw ongegrond verklaard. Het Uwv was niet verplicht appellant opnieuw in de gelegenheid te stellen te worden gehoord. De bezwaarverzekeringsarts heeft in haar rapport van 17 februari 2010 vermeld dat appellant af en toe bedreigd en mishandeld wordt en daardoor bij perioden terecht angstig is; in april 2006 was daarvan geen sprake. Geen redenen om aan dit standpunt te twijfelen en evenmin om te twijfelen aan de conclusie dat de situatie in april 2006 niet zodanig afweek van die op de datum in geding, 18 maart 2006, dat dit moet leiden tot het aannemen van meer beperkingen op laatstgenoemde datum.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/2762 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 april 2011, 10/1938 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 1 juni 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.M.T. van Diepen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2012.

Appellant is, zoals te voren bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sluijs.

OVERWEGINGEN

1.1. Voor een uitgebreid overzicht van de relevante feiten verwijst de Raad naar rubriek 1 van de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende.

1.2. Appellant is werkzaam geweest als jongerenhulpverlener. Vanaf 2 oktober 1993 ontvangt hij een WAO-uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.3. Bij besluit van 19 januari 2006 is zijn WAO-uitkering ingaande 18 maart 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

1.4. Nadat de rechtbank de beslissingen op bezwaar van 23 juni 2006 en 18 februari 2008 had vernietigd is bij beslissing op bezwaar van 16 maart 2010 (bestreden besluit) het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv in dit geval niet verplicht was appellant opnieuw te horen. Het Uwv was evenmin verplicht appellant opnieuw te onderzoeken. Het medische onderzoek is niet (langer) onzorgvuldig of onvoldoende gemotiveerd. Uit de informatie van psychiater H. Loen is niet af te leiden dat appellant op de datum in geding meer beperkingen had dan door de (bezwaar)verzekeringsartsen is aangenomen. De rechtbank ziet geen aanleiding de geselecteerde functies

- in medisch opzicht - ongeschikt te achten voor appellant.

3. Appellant heeft in hoger beroep gesteld dat hij voordurend onder behandeling is van een psychiater. Volgens Loen heeft appellant in april 2006 gemeld dat het wel ging, dus niet op 18 maart 2006. De verzekeringsarts heeft appellant gezien in mei 2005, dus lang voor de datum in geding. Ten onrechte is appellant niet opnieuw gehoord.

4.1. De Raad overweegt als volgt.

4.2. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het Uwv niet verplicht was appellant opnieuw in de gelegenheid te stellen te worden gehoord. De Raad sluit zich aan bij rechtsoverweging 2.1.1 van de aangevallen uitspraak. De Raad voegt daaraan toe dat de na de uitspraak ingekomen informatie afkomstig is van de behandelend psychiater van appellant.

4.3. Ook wat betreft de medische kant van de zaak sluit de Raad zich aan bij het oordeel van de rechtbank. Uit de brief van Loen van 10 februari 2010 blijkt dat appellant in november 2005 toegenomen angstklachten had. Zijn medicatie is verhoogd. In februari 2006 klaagde appellant dat de medicatie te zwaar was. De medicatie is toen weer aangepast. Vervolgens heeft appellant zelf in april 2006 gezegd dat het wel ging. Loen heeft voorts gesteld dat er meestal, zeker toen, aan appellant niet veel meer was te merken dan wat dwingend gedrag, soms wat achterdocht en spanning. De bezwaarverzekeringsarts heeft in haar rapport van 17 februari 2010 vermeld dat appellant af en toe bedreigd en mishandeld wordt en daardoor bij perioden terecht angstig is; in april 2006 was daarvan geen sprake. De Raad ziet geen redenen om aan dit standpunt te twijfelen en evenmin om te twijfelen aan de conclusie dat de situatie in april 2006 niet zodanig afweek van die op de datum in geding,

18 maart 2006, dat dit moet leiden tot het aannemen van meer beperkingen op laatstgenoemde datum.

4.4. Het hoger beroep slaagt dus niet.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2012.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) G.J. van Gendt.

KR