Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW7751

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-06-2012
Datum publicatie
08-06-2012
Zaaknummer
11-1004 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strafontslag. De minister heeft drie van de vier gedragingen terecht aangemerkt als plichtsverzuim. Appellante heeft door haar handelwijze tijdens het bezoek aan het Veiligheidshuis, dat bovendien plaatsvond tijdens haar ziekteverlof, bij de ketenpartners in het Veiligheidshuis de schijn gewekt dat zij in de uitoefening van haar functie handelde. Daarmee heeft zij misbruik gemaakt van haar functie. Gezien de waarde die de minister hecht - en ook mag hechten - aan de veiligheidseisen in het Veiligheidshuis en de daar mee samenhangende vertrouwensrelatie tussen de ketenpartners is de kwalificatie van deze gedraging als zeer ernstig plichtsverzuim op zijn plaats. De als plichtsverzuim aangemerkte gedragingen kunnen appellante worden toegerekend. De straf van ontslag is niet onevenredig aan de aard en ernst van het gepleegde plichtsverzuim.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/1004 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 22 december 2010, 10/1767 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Veiligheid en Justitie (minister)

Datum uitspraak 7 juni 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.E. de Jong, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2012. Appellante en mr. De Jong zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.H.M. van der Voort en G.C.M. Heijnen.

OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellante was vanaf augustus 2001 als [functie 1] en vanaf december 2008 als [functie 2] werkzaam bij de Raad voor de Kinderbescherming, regio Midden- en West Brabant. Op 26 februari 2009 heeft zij zich ziek gemeld.

1.3. Bij brief van 24 april 2009 heeft de regiodirecteur van de Raad voor de Kinderbescherming appellante op de hoogte gesteld van een melding dat zij tijdens haar ziekteverlof zonder toestemming of overleg met haar teamleider aanwezig is geweest op het Veiligheidshuis te Bergen op Zoom met een persoon die als cliënt bekend is bij het Veiligheidshuis, en dat zij in aanwezigheid van deze cliënt afspraken en regels die binnen het Veiligheidshuis gelden heeft overtreden. Meegedeeld is dat op grond van deze melding het vermoeden bestaat dat sprake is van plichtsverzuim. Bij brief van 20 juli 2009 heeft de regiodirecteur naar aanleiding van een tweede melding over een incident in juli 2009 aan appellante bericht dat het vermoeden bestaat dat opnieuw sprake is van plichtsverzuim. Over beide meldingen heeft appellante zich in een gesprek moeten verantwoorden.

1.4. De regiodirecteur van appellante heeft de bedrijfsarts de opdracht gegeven een psychiatrisch onderzoek te laten instellen ter beantwoording van de vraag of de handelwijze van appellante tijdens de incidenten haar is toe te rekenen. In zijn rapport kwam psychiater Leta (psychiater) onder meer tot de conclusie dat appellante toerekeningsvatbaar is voor de feiten waarvoor zij verantwoordelijk is gesteld.

1.5. Bij brief van 29 september 2009 is appellante in kennis gesteld van het voornemen haar wegens zeer ernstig plichtsverzuim de straf van ontslag op te leggen en haar subsidiair ontslag te verlenen op grond van ongeschiktheid voor haar functie anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. Appellante heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid haar zienswijze op dit voornemen te geven en deze in een gesprek toe te lichten.

1.6. Bij besluit van 20 november 2009 heeft de minister appellante met onmiddellijke ingang de disciplinaire straf van ongevraagd ontslag op grond van artikel 81, eerste lid, onder l, van het Algemeen rijksambtenarenreglement (ARAR) verleend en haar subsidiair op grond van artikel 98, eerste lid, onder g, van het ARAR ontslag verleend wegens ongeschiktheid voor de vervulling van haar betrekking anders op grond van ziekten of gebreken. Het bezwaar tegen dit besluit is bij besluit van 25 maart 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. 1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van dat besluit in stand gelaten. Zij stelde vast dat de minister de volgende gedragingen heeft aangemerkt als plichtsverzuim:

a) De gebeurtenissen in het Veiligheidshuis in Bergen op Zoom op 24 april 2009;

b) Het niet nadrukkelijk als privépersoon in de zittingzaal bijwonen van de strafzaak van de toenmalige partner van appellante op 9 juli 2009 en het gedrag van appellante tijdens die zitting;

c) Het niet expliciet als privépersoon telefonisch benaderen van de weekdienst van het Openbaar Ministerie in verband met de maatregel die haar partner was opgelegd;

d) Het niet naleven van het verzuimprotocol.

De rechtbank kwam tot het oordeel dat de minister deze gedragingen met uitzondering van het in de zittingzaal bijwonen van de zaak van haar partner terecht als plichtverzuim heeft aangemerkt. Over de onder a) vermelde gedraging overwoog de rechtbank dat appellante heeft erkend dat zij zich toegang heeft verschaft tot het uitsluitend voor medewerkers toegankelijke gedeelte van het Veiligheidshuis, voorwendende dat zij daar kwam in haar hoedanigheid van medewerker van de Raad voor de Kinderbescherming, dat zij haar partner heeft meegenomen in ruimtes waar hij als cliënt van het Veiligheidshuis niet mocht komen en dat niet is betwist dat appellante het vertrouwen heeft geschaad dat de ketenpartners in de Raad voor de Kinderbescherming moeten kunnen hebben.

2.2. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd, omdat de bezwaarschriftencommissie geen kennis had genomen van het rapport van de psychiater en die commissie en dus ook de minister zich er niet voldoende van hadden vergewist dat het onderzoek van de psychiater op zorgvuldige wijze had plaatsgevonden en of diens conclusie in voldoende mate berust op de onderzoeksbevindingen. De rechtbank zag aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Daartoe overwoog zij dat de psychiater de toerekenbaarheid van appellante voldoende heeft onderzocht, dat deze in voldoende mate op de hoogte was van het feit dat zij ziek thuis was met een mentaal en emotioneel uitputtingsbeeld door een diversiteit aan factoren en dat zij in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen aanleiding ziet het rapport van de psychiater voor onjuist te houden. De rechtbank achtte de conclusie gerechtvaardigd dat de gedragingen van appellante haar kunnen worden toegerekend en dat de minister bevoegd was haar een disciplinaire straf op te leggen. Volgens de rechtbank vormt de gebeurtenis in het Veiligheidshuis op zichzelf al een zodanig ernstig plichtverzuim dat de minister bevoegd was appellante ontslag te verlenen. Door het schenden van de veiligheidsvoorschriften in het Veiligheidshuis heeft zij medewerkers in een gevaarzettende situatie gebracht en dat is haar terecht zwaar aangerekend. Hoewel de rechtbank onderkent dat strafontslag voor appellante grote implicaties heeft, acht zij deze sanctie niet onevenredig aan de aard en de ernst van het plichtverzuim.

3. In hoger beroep heeft appellante haar in beroep aangevoerde grond herhaald, dat de sanctie van disciplinair ontslag gelet op de verweten gedraging en de overige omstandigheden buitenproportioneel is. Als relevante omstandigheden noemt zij de situatie van geestelijke uitputting waarin zij zich bevond, de problematiek op haar nieuwe afdeling, haar labiele thuissituatie, het feit dat zij vanaf 2009 steeds goed functioneerde en haar benoeming tot [functie 2]. Verder heeft zij gewezen op de financiële gevolgen die een strafontslag voor haar heeft.

4.1. De Raad stelt vast dat het hoger beroep is beperkt tot de beslissing van de rechtbank om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Hij onderschrijft het aan die beslissing ten grondslag gelegde oordeel van de rechtbank dat de minister bevoegd was aan appellante de straf van ongevraagd ontslag te verlenen. Appellante heeft in hoger beroep in feite geen andere gronden aangevoerd dan zij in eerste aanleg heeft gedaan. De Raad kan zich op hoofdlijnen vinden in de - onder 2.1 en 2.2 samengevatte - overwegingen op grond waarvan de rechtbank tot haar oordeel is gekomen, en volstaat onder verwijzing naar die overwegingen met het volgende.

4.2. Appellante heeft door haar handelwijze tijdens het bezoek aan het Veiligheidshuis op 24 april 2009, dat bovendien plaatsvond tijdens haar ziekteverlof, bij de ketenpartners in het Veiligheidshuis de schijn gewekt dat zij in de uitoefening van haar functie handelde. Daarmee heeft zij misbruik gemaakt van haar functie. Gezien de waarde die de minister hecht - en ook mag hechten - aan de veiligheidseisen in het Veiligheidshuis en de daar mee samenhangende vertrouwensrelatie tussen de ketenpartners is de kwalificatie van deze gedraging als zeer ernstig plichtsverzuim op zijn plaats. Voor zover appellante met de verwijzing naar haar omstandigheden bedoelt te betogen dat deze gedraging en de overige als plichtsverzuim aangemerkte gedragingen haar niet kunnen worden toegerekend, ziet de Raad voor dat standpunt evenals de rechtbank geen grond. De straf van ontslag is voorts niet onevenredig aan de aard en ernst van het gepleegde plichtsverzuim. De omstandigheden van appellante en het feit dat een disciplinair ontslag financiële gevolgen voor haar heeft, doen geen afbreuk aan die conclusie.

4.3. Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover deze is aangevochten, moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en R. Kooper en W. van den Brink als leden, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2012.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) M.C. Nijholt.

HD