Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW7746

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-05-2012
Datum publicatie
07-06-2012
Zaaknummer
10/753 WWB + 10/754 WWB + 10/755 WWB + 10/756 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand en (mede)terugvordering. Schending inlichtingenverplichting. Gezamenlijke huishouding. De bevindingen van het onderzoek door de sociale recherche bieden geen toereikende grondslag voor de conclusie dat appellant gedurende de gehele in geding zijnde periode zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante. De verklaringen van appellanten, bezien in samenhang met de door de aanvankelijk anonieme getuige tegenover de sociale recherche afgelegde verklaring, bieden wel voldoende grondslag voor het oordeel dat appellant gedurende de periode van 1 december 2007 tot 1 augustus 2008 zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante. Niet gemelde werkzaamheden. Uit de verklaringen van appellant en een getuige en het arbeidscontract vloeit voort dat appellant gedurende de periode van 1 februari 2007 tot 1 december 2007 meer inkomsten uit arbeid heeft ontvangen dan waarvan hij bij het college melding heeft gemaakt. Het recht op bijstand van appellant over die periode kan niet worden vastgesteld. De intrekking van de aan appellante verleende bijstand over de periode van 18 oktober 2006 tot 1 december 2007 kan niet in stand blijven, omdat deze niet op een deugdelijke grondslag berust. De intrekking van de aan appellant verleende bijstand over de periode van 18 september 2006 tot 1 februari 2007 kan niet in stand blijven, omdat deze niet op een deugdelijke grondslag berust. Het college was bevoegd over te gaan tot (mede)terugvordering over de resterende periodes. Vernietiging aangevallen uitspraak. Herroeping van de primaire besluiten in zoverre. Het college krijgt de opdracht nieuwe besluiten te nemen op de bezwaren van appellanten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/753 WWB

10/754 WWB

10/755 WWB

10/756 WWB

Centrale Raad van Beroep.

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

23 december 2009, 09/3548, 09/4681, 09/4682 en 09/3549 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak: 29 mei 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. G.Th. Offreins, advocaat, voor ieder afzonderlijk hoger beroep ingesteld.

Het college heeft in beide zaken verweerschriften ingediend.

Appellanten hebben nadere stukken ingediend.

Het college heeft desgevraagd nadere stukken ingediend.

De zaken zijn gevoegd en het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2012. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Offreins. Tevens is ter zitting verschenen de door appellanten meegebrachte tolk in de Iraakse taal N.A. Koelewijn-Hafez. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Telting.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving sinds 18 oktober 2006 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Zij stond vanaf 17 mei 2005 ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) op het adres [adres 1] te Amsterdam.

1.2. Appellant ontving sinds 18 september 2006 bijstand ingevolge de WWB naar de norm voor een alleenstaande. Hij stond van 7 juni 2005 tot en met 26 september 2006 ingeschreven in de GBA op het adres [adres 1] te Amsterdam. Van 27 september 2006 tot en met 5 augustus 2007 stond hij ingeschreven op het briefadres [adres 2] te Amsterdam en vanaf 6 augustus 2007 stond hij ingeschreven op het adres [adres 3] te Amsterdam. Uit de relatie van appellanten zijn twee kinderen geboren.

1.3. Naar aanleiding van onder meer een aantal anonieme tips, voor zover van belang, inhoudend dat appellanten samenwonen op het adres [adres 1] te Amsterdam en dat appellant inkomsten uit kapperswerkzaamheden ontvangt, heeft de sociale recherche een onderzoek ingesteld. In dat kader is dossieronderzoek verricht, hebben waarnemingen plaatsgevonden, zijn bij diverse instanties inlichtingen ingewonnen, hebben diverse getuigen verklaringen afgelegd en zijn appellanten verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 10 maart 2009.

1.4. Bij besluit van 17 februari 2009 is de aan appellante verleende bijstand met ingang van 10 februari 2009 beëindigd (lees: ingetrokken). Bij besluit van 18 februari 2009 is de aan appellant verleende bijstand met ingang van 10 februari 2009 beëindigd (lees: ingetrokken). Deze besluiten zijn inmiddels in rechte onaantastbaar.

1.5. Bij besluit van 18 maart 2009 heeft het college de aan appellante verleende bijstand met ingang van 18 september 2006 (lees: 18 oktober 2006) ingetrokken. Bij besluit van 27 maart 2009 heeft het college de aan appellant verleende bijstand met ingang van 18 september 2006 ingetrokken. Aan deze besluiten heeft het college, voor zover van belang, ten grondslag gelegd dat appellanten hebben verzwegen dat zij in de periode van 18 september 2006 tot en met 9 februari 2009 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd in de woning op het adres [adres 1] te Amsterdam, dat appellant in de periode van 1 februari 2007 tot en met 9 februari 2009 in deze woning en/of bij klanten thuis kapperswerkzaamheden heeft verricht en dat appellant in de periode van 7 april 2007 tot en met 30 juni 2008 meer dan tien uur per maand op de Beverwijkse Bazaar bij [D.] heeft gewerkt. Indien appellanten een en ander niet hadden verzwegen was volgens het college aan hen geen bijstand, althans een lager bedrag aan bijstand, verleend.

1.6. Bij afzonderlijke besluiten van 23 april 2009 heeft het college de over de periode van 18 september 2006 tot en met 31 januari 2009 ten behoeve van appellanten gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van in totaal € 30.245,88 van appellanten afzonderlijk teruggevorderd en op grond van artikel 59, tweede lid, van de WWB van appellanten afzonderlijk medeteruggevorderd. Appellanten zijn beiden hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de terugbetaling van dit bedrag.

1.7. Bij besluit van 31 augustus 2009 (bestreden besluit I) heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 18 maart 2009 ongegrond verklaard.

1.8. Bij besluit van eveneens 31 augustus 2009 (bestreden besluit II) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 27 maart 2009 ongegrond verklaard.

1.9. Bij besluit van 24 juni 2009 (bestreden besluit III) heeft het college, voor zover hier van belang, het bezwaar van appellante tegen het besluit van 23 april 2009 ongegrond verklaard.

1.10. Bij besluit van eveneens 24 juni 2009 (bestreden besluit IV) heeft het college, voor zover hier van belang, het bezwaar van appellant tegen het besluit van 23 april 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van appellanten tegen de bestreden besluiten I tot en met IV ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

3.1. Appellant betwist dat hij in de periode van september 2006 tot 1 augustus 2008 heeft samengewoond met appellante. Hij heeft aangevoerd dat hij in deze periode na korte tijd dakloos te zijn geweest op een ander adres heeft verbleven en dat de getuigenverklaringen te onduidelijk zijn om de samenwoning op te kunnen baseren. Voorts betwist appellant dat hij tot 1 juli 2008 zes dagen per week zeven uur per dag heeft gewerkt op de Beverwijkse Bazaar. Verder zijn de getuigenverklaringen te onduidelijk en één daarvan te onbetrouwbaar om het thuiskappen op te kunnen baseren.

3.2. Appellante betwist eveneens dat zij in de periode van september 2006 tot 1 augustus 2008 heeft samengewoond met appellant. Zij heeft aangevoerd dat de getuigenverklaringen waarop de samenwoning is gebaseerd onbetrouwbaar zijn, nu de waarnemingen van de getuigen over het contact tussen appellanten onderling zijn terug te voeren op de frequentie van de omgangsregeling van appellant met de kinderen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De intrekking

4.1. Vaststaat dat de aan appellanten verleende bijstand bij de onder 1.4 genoemde - inmiddels in rechte onaantastbare - besluiten met ingang van 10 februari 2009 is ingetrokken. Niet in geschil is dat het college bevoegd was om de aan appellante verleende bijstand met ingang van 1 augustus 2008 in te trekken. Evenmin in geschil is dat het college bevoegd was om de aan appellant verleende bijstand met ingang van 1 juli 2008 in te trekken. Uit het voorgaande volgt dat in de eerste plaats de periode van 18 september 2006 tot 1 augustus 2008 moet worden beoordeeld.

4.2. Het hoger beroep van appellante is beperkt tot de vraag of appellanten gedurende de periode van 18 september 2006 tot 1 augustus 2008 in de woning aan de [adres 1] een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Het hoger beroep van appellant omvat daarnaast de vraag of appellant in de periode van 1 februari 2007 tot en met 30 juni 2008 in deze woning en/of bij klanten thuis kapperswerkzaamheden heeft verricht en de vraag of appellant in de periode van 7 april 2007 tot en met 30 juni 2008 meer dan tien uur per maand op de Beverwijkse Bazaar bij [D.] heeft gewerkt.

Periode van 18 september 2006 tot 1 augustus 2008 (gezamelijke huishouding)

4.3. Een besluit tot intrekking van bijstand is een voor de bijstandsgerechtigde belastend besluit, waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan, in beginsel op het college rust.

4.4. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding. Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en uit hun relatie een kind is geboren.

4.5. Vaststaat dat uit de relatie van appellanten twee kinderen zijn geboren. Voor de beantwoording van de vraag of ten tijde hier van belang sprake was van een gezamenlijke huishouding is om die reden bepalend of appellanten hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning.

4.6. De bevindingen van het onderzoek door de sociale recherche, zoals neergelegd in de rapportage van 10 maart 2009, bieden geen toereikende grondslag voor de conclusie dat appellant gedurende de gehele in geding zijnde periode van 18 september 2006 tot 1 augustus 2008 zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante op het adres [adres 1] te Amsterdam. De Raad acht hiertoe - anders dan de rechtbank en het college - de door appellanten tegenover de sociale recherche op 10 en 11 februari 2009 afgelegde verklaringen onvoldoende. Appellanten hebben beiden verklaard dat appellant sinds december 2007 regelmatig op het adres [adres 1] komt en dat hij daar af en toe doucht, eet en slaapt. Die verklaringen alleen rechtvaardigen niet de conclusie dat appellant al vanaf 18 september 2006 zijn hoofdverblijf in de woning op het adres [adres 1] had. Nu onvoldoende gegevens voorhanden zijn die deze conclusie wel rechtvaardigen, moet geoordeeld worden dat de bestreden besluiten I en II in zoverre op een ondeugdelijke grondslag berusten. In zoverre slaagt het hoger beroep van appellanten.

4.7. De hiervoor genoemde verklaringen van appellanten, bezien in samenhang met de door de aanvankelijk anonieme getuige [A.] tegenover de sociale recherche op 11 februari 2009 afgelegde verklaring, bieden wel voldoende grondslag voor het oordeel dat appellant gedurende de periode van 1 december 2007 tot 1 augustus 2008 zijn hoofdverblijf op het adres [adres 1] heeft gehad. De verklaringen van appellanten over het verblijf van appellant gedurende deze periode op het adres [adres 1] zijn voldoende gedetailleerd en stemmen in essentie met elkaar overeen. In de verklaring van [A.], die - anders dan de getuigenverklaringen van de overige buurtbewoners - voldoende gedetailleerd en consistent is, omschrijft zij het gezin van appellanten en hun dagelijks leven en geeft zij aan wanneer zij appellant ziet. Zij verklaart dat appellanten er ongeveer vijf jaar wonen. Hetgeen appellanten in dit verband hebben aangevoerd, treft om die reden geen doel. In zoverre slaagt het hoger beroep van appellanten niet.

Periode van 1 februari 2007 tot 1 december 2007 (werkzaamheden appellant)

4.8. Appellant erkent in zijn verklaring van 10 februari 2009 dat hij in deze periode in de woning op het adres [adres 1] en/of bij klanten thuis kapperswerkzaamheden heeft verricht en dat hij voor die werkzaamheden een vergoeding heeft ontvangen. Deze verklaring wordt tevens ondersteund door de op 10 februari 2009 tegenover de sociale recherche afgelegde verklaring van getuige [W.]. Deze getuige heeft verklaard dat appellant sinds twee jaar tegen betaling haar haar verzorgt. De stelling van appellant dat het thuiskappen op een onvoldoende toereikende grondslag berust, treft om die reden geen doel.

4.9. Voorts erkent appellant dat hij in de periode van 7 april 2007 tot 1 december 2007 meer dan tien uur per maand op de Beverwijkse Bazaar bij [D.] heeft gewerkt. Naar appellant ter zitting heeft toegelicht, betwist hij slechts dat hij meer inkomsten heeft gehad dan over de tien uur per maand die hij op de inkomstenformulieren heeft opgegeven.

4.10. Blijkens het arbeidscontract van appellant met [D.] was appellant sinds 7 april 2007 in dienst als oproepkracht en diende hij in het weekend van tien uur ’s ochtends tot zes uur ’s avonds beschikbaar te zijn. Naar vaste rechtspraak van de Raad (zie de uitspraak van 27 maart 2012, LJN BW0111) rechtvaardigt de aanwezigheid tijdens reguliere uren op de eigen werkplek de vooronderstelling dat de belanghebbende tijdens die aanwezigheid ook daadwerkelijk op geld waardeerbare arbeid verricht. Appellant heeft het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. De enkele stelling van appellant ter zitting dat hij, bij afwezigheid van klanten, regelmatig in de kapsalon verbleef in afwachting van klanten en dus zonder productieve arbeid te verrichten, kan niet tot een ander oordeel leiden.

4.11. Uit hetgeen onder 4.6 is overwogen volgt dat bestreden besluit I, voor zover het de intrekking van de aan appellante verleende bijstand over de periode van 18 oktober 2006 tot 1 december 2007 betreft niet in stand kan blijven, omdat deze niet op een deugdelijke grondslag berust. De rechtbank heeft dat niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak in zoverre dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad bestreden besluit I wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigen. Voorts wordt aanleiding gezien om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb het besluit van 18 maart 2009 in zoverre te herroepen, nu dat besluit op dezelfde ondeugdelijke grondslag berust als bestreden besluit I en niet aannemelijk is dat het college dit gebrek nog kan herstellen.

4.12. Uit 4.6 en 4.8 tot en met 4.10 volgt dat bestreden besluit II, voor zover het de intrekking van de aan appellant verleende bijstand over de periode van 18 september 2006 tot 1 februari 2007 betreft eveneens niet in stand kan blijven, omdat deze niet op een deugdelijke grondslag berust. De rechtbank heeft dat niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak ook voor het overige dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad bestreden besluit II wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb vernietigen. Voorts wordt aanleiding gezien om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb het besluit van 27 maart 2009 in zoverre te herroepen, nu dat besluit op dezelfde ondeugdelijke grondslag berust als bestreden besluit II en niet aannemelijk is dat het college dit gebrek nog kan herstellen.

4.13. Gelet op wat is overwogen onder 4.1 en 4.7 hebben appellanten gedurende de periode van 1 december 2007 tot 1 augustus 2008 een gezamenlijke huishouding gevoerd. Appellanten hebben in strijd met de op hen rustende inlichtingenverplichting hiervan bij het college geen melding gemaakt. Als gevolg daarvan is aan appellanten in genoemde periode ten onrechte afzonderlijk bijstand verleend. Appellanten waren immers geen zelfstandig subject van bijstand. Dit betekent dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het college bevoegd was de aan appellanten afzonderlijk verleende bijstand over deze periode in te trekken. De wijze waarop van deze bevoegdheid gebruik is gemaakt kan buiten bespreking blijven, nu daartegen geen zelfstandige gronden zijn aangevoerd.

4.14. Uit hetgeen onder 4.8 tot en met 4.10 is overwogen vloeit voort dat appellant gedurende de periode van 1 februari 2007 tot 1 december 2007 meer inkomsten uit arbeid heeft ontvangen dan waarvan hij bij het college melding heeft gemaakt. Appellant heeft hierdoor in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting gehandeld. Appellant heeft geen concrete en verifieerbare gegevens verstrekt over deze inkomsten uit arbeid, zodat de omvang daarvan niet duidelijk is. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand van appellant over die periode niet worden vastgesteld. Dit betekent dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB is voldaan, zodat het college bevoegd was de bijstand van appellant over deze periode in te trekken. De wijze waarop van deze bevoegdheid gebruik is gemaakt kan buiten bespreking blijven, nu daartegen geen zelfstandige gronden zijn aangevoerd.

De (mede)terugvordering

4.15. Niet in geschil is dat het college op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 augustus 2008 tot en met 31 januari 2009 afzonderlijk van appellanten (mede) terug te vorderen.

4.16. Uit hetgeen onder 4.13 is overwogen vloeit voort dat het college op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was de gemaakte kosten van de aan appellante over de periode van 1 december 2007 tot 1 augustus 2008 verleende bijstand terug te vorderen. Tevens was het college op grond van artikel 59, tweede lid, van de WWB bevoegd die kosten mede van appellant terug te vorderen. Uit 4.13 en 4.14 volgt dat het college op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB bevoegd was de gemaakte kosten van de aan appellant over de periode van 1 februari 2007 tot 1 augustus 2008 verleende bijstand terug te vorderen. Tevens was het college op grond van artikel 59, tweede lid, van de WWB bevoegd die kosten voor zover het betreft de periode van 1 december 2007 tot 1 augustus 2008 mede van appellante terug te vorderen. De wijze waarop het college van deze bevoegdheden gebruik heeft gemaakt kan buiten bespreking blijven, nu daartegen geen zelfstandige gronden zijn aangevoerd. Nu de intrekking van bijstand van appellante over de periode van 18 september 2006 tot 1 december 2007 en de intrekking van bijstand van appellant over de periode van 18 september 2006 tot 1 februari 2007 niet in stand kunnen blijven, zullen de bestreden besluiten III en IV, voor zover deze de (mede)terugvordering betreffen, geheel vernietigd worden, omdat dat onderdeel van de besluiten ondeelbaar is.

4.17. Het college zal worden opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 23 april 2009 over de terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand in de periode van 1 december 2007 tot en met 31 januari 2009, en een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 23 april 2009, voor zover daarbij de gemaakte kosten van bijstand van de aan appellante in genoemde periode verleende bijstand mede van hem zijn teruggevorderd. Het college zal tevens worden opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 23 april 2009 over de terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand in de periode van 1 februari 2007 tot en met 31 januari 2009, en een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 23 april 2009, voor zover daarbij de gemaakte kosten van bijstand van de aan appellant in genoemde periode verleende bijstand mede van haar zijn teruggevorderd.

4.18. In dit geval bestaat geen ruimte voor het doen van een tussenuitspraak inzake de terugvordering en de medeterugvordering. Een opdracht aan het college op grond van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet verdraagt zich niet met het rechtsmiddel van beroep in cassatie dat openstaat tegen de toepassing door de Raad van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellanten. Deze worden voor elk van appellanten begroot op € 1.092,50 in beroep en op € 655,50 in hoger beroep, voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt het ten aanzien van appellante genomen besluit van 31 augustus 2009 voor zover het betreft de intrekking van de bijstand over de periode van 18 oktober 2006 tot 1 december 2007;

- vernietigt het ten aanzien van appellante genomen besluit van 24 juni 2009 voor zover het betreft de terugvordering;

- herroept het ten aanzien van appellante genomen besluit van 18 maart 2009 voor zover het betreft de intrekking van de bijstand over de periode van 18 oktober 2006 tot 1 december 2007;

- vernietigt het ten aanzien van appellant genomen besluit van 31 augustus 2009 voor zover het betreft de intrekking van de bijstand over de periode van 18 september 2006 tot 1 februari 2007;

- vernietigt het ten aanzien van appellant genomen besluit van 24 juni 2009 voor zover het betreft de terugvordering;

- herroept het ten aanzien van appellant genomen besluit van 27 maart 2009 voor zover het betreft de intrekking van de bijstand over de periode van 18 september 2006 tot 1 februari 2007;

- draagt het college op nieuwe beslissingen te nemen op de bezwaren van appellanten, met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt het college in de kosten van appellante in beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 1.748,--, te betalen aan de griffier van de Raad en in de kosten van appellant in beroep tot een bedrag van € 1.092,50, te betalen aan de griffier van de Raad en hoger beroep tot een bedrag van € 655,50

- bepaalt dat het college het door appellante in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 192,-- aan haar vergoedt en dat het college het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van eveneens in totaal € 192,-- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en E.J.M. Heijs en Y.J. Klik als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2012.

(get.) J.F. Bandringa

(get.) M.R. Schuurman

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20302, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

Ew