Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW7741

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-06-2012
Datum publicatie
08-06-2012
Zaaknummer
11-1033 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Finale waarschuwing tot naleving van de overeenkomst. Ontbreekt een uitdrukkelijke vaststelling van plichtsverzuim, dan is de waarschuwing uitsluitend als sturingsmiddel aan te merken en brengt zij geen wijziging in de rechtspositie van de betrokkene (LJN AX6392 en LJN BI4834). Gezien de omstandigheden is de waarschuwing op te vatten als een normaal sturingsmiddel in de interne verhoudingen, waartegen geen bezwaar of beroep open stond. Het tegen de waarschuwing gerichte beroep is dan ook door de rechtbank terecht niet-ontvankelijk verklaard. De stelling van appellant dat de waarschuwing een ontoelaatbare reformatio in peius oplevert, kan geen doel treffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2012/166
Module Ambtenarenrecht 2013/1324
ABkort 2012/220
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/1033 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 27 december 2010, 10/1110 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Tijdelijke Bestuurscommissie Verenigingsgebouw van de Veiligheidsregio Limburg Noord (bestuur)

Datum uitspraak: 7 juni 2012

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2012. Appellant is verschenen. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.S. van Loon, advocaat, en door M.H.M.J. van der Horst en H.J.M. Strous.

OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant vervulde de functie van [naam functie] bij de Regio Noord- en Midden Limburg. Deze regio is per 1 januari 2009 opgegaan in de Veiligheidsregio Limburg-Noord. Daarbij is de functie van appellant komen te vervallen. Appellant is boventallig verklaard. Voor hem is een traject uitgezet om te komen tot zelfstandige beroepsuitoefening. De hierop betrekking hebbende afspraken zijn neergelegd in brieven van 29 januari 2009 en 15 oktober 2009. Bij brief van 21 januari 2010 heeft het bestuur dit traject beëindigd.

1.2. Bij besluit van 4 maart 2010 heeft het bestuur de bezoldiging van appellant stopgezet, op de grond dat appellant in strijd met zijn verplichtingen opzettelijk nalaat zijn betrekking te vervullen. Daartoe is overwogen dat appellant nalaat contact op te nemen om de stand van zaken te bespreken.

1.3. Bij besluit van 9 juli 2010 (bestreden besluit) heeft het bestuur het bezwaar ongegrond verklaard. De bezoldiging is hervat omdat het contact is hersteld en daarmee het effect van de maatregel is bereikt. Wel is geconstateerd dat er onvoldoende sprake is van nakoming van de afspraken, hetgeen het bestuur aanleiding heeft gegeven aan zijn besluit een finale waarschuwing tot naleving van de overeenkomst toe te voegen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ten aanzien van de waarschuwing niet-ontvankelijk verklaard, het beroep ten aanzien van de stopzetting van de bezoldiging gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het primaire besluit van 4 maart 2010 herroepen. Tevens zijn bepalingen gegeven over wettelijke rente en griffierecht.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

3.1. Vast staat dat de stopzetting van de bezoldiging geheel ongedaan is gemaakt. Het geschil betreft uitsluitend nog de aan het bestreden besluit toegevoegde laatste waarschuwing.

3.2. De rechtbank heeft geoordeeld dat deze waarschuwing geen uitdrukkelijke constatering van enig plichtsverzuim behelst en daarom geen besluit inhoudt als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Om die reden heeft zij het beroep wat betreft de waarschuwing niet-ontvankelijk verklaard.

3.3. Het is vaste rechtspraak dat het rechtspositionele belang van de ambtenaar rechtstreeks is betrokken bij (de schriftelijke vastlegging van) de vaststelling dat een ambtenaar zich in de termen van het toepasselijke rechtspositionele voorschrift aan plichtsverzuim heeft schuldig gemaakt. In dat geval gaat de vaststelling verder dan het hanteren van een normaal sturingsmiddel in de interne verhoudingen, waartegen geen rechtsmiddel open staat (CRvB 17 maart 2005, LJN AT3554). Ontbreekt een uitdrukkelijke vaststelling van plichtsverzuim, dan is de waarschuwing uitsluitend als zo'n sturingsmiddel aan te merken en brengt zij geen wijziging in de rechtspositie van de betrokkene (CRvB 18 mei 2006, LJN AX6392 en CRvB 14 mei 2009, LJN BI4834).

3.4. In lijn met deze rechtspraak is de rechtbank met juistheid tot de conclusie gekomen dat de aan appellant gegeven "finale waarschuwing" geen besluit inhoudt. Evenmin is sprake van een voor beroep vatbare andere handeling als bedoeld in artikel 8:1, tweede lid, van de Awb. In het bestreden besluit is niet vastgesteld dat appellant zich heeft schuldig gemaakt aan plichtsverzuim in de zin van de rechtspositieregeling, in dit geval de CAR/UWO. Het woord "plichtsverzuim" is in het geheel niet genoemd. Wel is in het bestreden besluit verwezen naar hoofdstuk 4, onder b, sub 8, van het "Sociaal Plan i.v.m. totstandkoming veiligheidsregio en het opheffen van CBO/het verenigingsgebouw". Daarin is - kort gezegd - bepaald dat de ambtenaar kan worden ontslagen indien hij weigert (tijdelijke) passende werkzaamheden of functies te accepteren, of indien hij niet meewerkt aan het vinden van een oplossing. Zoals ook blijkt uit de verwijzing naar artikel 3:7 van het Sociaal statuut Veiligheidsregio Limburg-Noord 2004, gaat het daarbij niet om een strafontslag, maar om een ontslag in het kader van de reorganisatie. Onder deze omstandigheden is de waarschuwing op te vatten als een normaal sturingsmiddel in de interne verhoudingen, waartegen geen bezwaar of beroep open stond. Het tegen de waarschuwing gerichte beroep is dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.

3.5. Reeds hierom kan de stelling van appellant dat de waarschuwing een ontoelaatbare reformatio in peius oplevert geen doel treffen.

3.6. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak, voor zover in hoger beroep aangevochten, komt voor bevestiging in aanmerking.

4. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en R. Kooper en W. van den Brink als leden, in tegenwoordigheid van M.C. Nijholt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2012.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) M.C. Nijholt.

HD