Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW7707

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-06-2012
Datum publicatie
07-06-2012
Zaaknummer
10-745 AWBZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek de geïndiceerde zorg te realiseren op grond de AWBZ, omdat appellant door het ontbreken van een geldige verblijfstitel niet verzekerd is op grond van de AWBZ. Geen schending van artikel 8 EVRM. De Raad concludeert dat in redelijkheid niet kan worden volgehouden dat de weigering van het Zorgkantoor om appellant op grond van de AWBZ een aanspraak op zorg toe te kennen geen blijk geeft van een “fair balance” tussen de publieke belangen die betrokken zijn bij de weigering van die toegang en de particuliere belangen van appellant om wel tot zorg op grond van de AWBZ te worden toegelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RZA 2012/50
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/745 AWBZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 december 2009, 09/144 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

Zorgkantoor Agis Zorgverzekeringen (Agis)

Datum uitspraak: 6 juni 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.G. Fischer, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.

Agis heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2012. Voor appellant zijn verschenen mr. Fischer en mr. C.J. Forder. Voor Agis is verschenen mr. M.A. Wood.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is een vermoedelijk 51-jarige man van buitenlandse komaf die lijdt aan uitgebreide cognitieve functiestoornissen op basis van vasculaire dementie. Appellant is sinds 4 mei 2008 opgenomen op de afdeling Neurologie van het VU Medisch Centrum te Amsterdam. Hij verbleef in aansluiting op zijn opname in het VU Medisch Centrum en ook thans in zorgcentrum Tabitha te Amsterdam.

1.2. Bij besluit van 27 juni 2008 heeft het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) appellant voor de periode van 27 juni 2008 tot en met 26 juni 2013 geïndiceerd voor Zorgzwaartepakket VV04, klasse 7 voor 7 etmalen per week, in de vorm van zorg in natura (indicatie voor beschut wonen met intensieve begeleiding en uitgebreide verzorging).

1.3. Appellant heeft Agis op 27 juni 2008 verzocht de geïndiceerde zorg te realiseren op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ).

1.4. Bij besluit van 21 augustus 2008 heeft Agis de aanvraag van appellant van 27 juni 2008 afgewezen, omdat appellant door het ontbreken van een geldige verblijfstitel niet verzekerd is op grond van de AWBZ.

1.5. Bij besluit van 9 december 2008 heeft Agis het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 augustus 2008 ongegrond verklaard. Agis heeft daarbij aangegeven dat uit artikel 5, tweede lid, van de AWBZ volgt dat appellant niet verzekerd is ingevolge deze wet. Het beroep van appellant op internationale verdragsbepalingen kan niet leiden tot het effectueren van de geïndiceerde zorg.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 9 december 2008 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft - samengevat weergegeven - overwogen dat niet in geschil is dat appellant op grond van artikel 5 van de AWBZ en de daarop berustende bepalingen niet tot de kring der verzekerden van de AWBZ behoort.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of appellant aan het bepaalde in internationale verdragen desondanks recht op AWBZ-zorg kan ontlenen. Onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van deze Raad (waarbij als voorbeeld is genoemd CRvB 11 november 2007, LJN BB5687) heeft de rechtbank overwogen dat de namens appellant aangehaalde artikelen van het Europees Sociaal Handvest (ESH) en het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten (IVESCR) niet kunnen worden beschouwd als een ieder verbindende bepalingen als bedoeld in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet. Het beroep op schending van de artikelen 3, 8 en 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft de rechtbank onder verwijzing naar jurisprudentie van het Europese hof voor de rechten van de mens (EHRM) en van deze Raad eveneens verworpen. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat de benodigde zorg feitelijk wordt geleverd en dat geen beëindiging van de zorg is aangezegd.

3.1. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij stelt zich op het standpunt dat artikel 8 van het EVRM is geschonden, omdat vanwege zijn cognitieve stoornissen de toepassing van het in artikel 5, tweede lid, van de AWBZ neergelegde koppelingsbeginsel geen doel kan dienen en op de Staat een plicht rust om hulpeloze mensen te helpen. Het verpleeghuis waar appellant verblijft is geen liefdadigheidsinstelling en de bewindvoerder komt in de problemen als hij de rekeningen onbetaald laat.

3.2. Agis beschouwt appellant op grond van zijn medische toestand wel als kwetsbaar persoon, maar dat vormt op zich nog geen reden voor het verstrekken van AWBZ-zorg. Pas als er sprake is van onder meer een substantiële bedreiging van de fysieke of geestelijke gezondheid, wanneer hem de zorg zou worden onthouden, kan sprake zijn van schending van artikel 8 van het EVRM. Van een dergelijke situatie is in het geval van appellant geen sprake.

4.1. In geding is uitsluitend de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat Agis met het besluit van 9 december 2008 artikel 8 van het EVRM niet (ongerechtvaardigd) heeft geschonden.

4.2. Het EHRM merkt respect voor menselijke waardigheid en menselijke vrijheid als "the very essence" van het EVRM aan. De Raad verwijst naar zijn uitspraak van 22 december 2008 (LJN BG8776). Het in artikel 8 van het EVRM besloten liggende recht op respect voor het privéleven van een persoon omvat mede de fysieke en psychische integriteit van die persoon en is er primair op gericht, zonder inmenging van buitenaf, de ontwikkeling van de persoonlijkheid van elke persoon in zijn betrekkingen tot anderen te waarborgen. Dit artikel beoogt niet alleen de staten tot onthouding van inmenging in het privéleven te dwingen, maar kan onder omstandigheden ook aan het recht op eerbiediging van het privéleven inherente positieve verplichtingen meebrengen die noodzakelijk zijn voor een effectieve waarborging ervan. Daarbij hebben kinderen en andere kwetsbare personen in het bijzonder recht op bescherming. Het EHRM heeft meerdere malen geoordeeld dat artikel 8 van het EVRM ook relevant is in zaken die betrekking hebben op de besteding van publieke middelen. Daarbij is wel van belang dat in een dergelijk geval aan de Staat een extra ruime "margin of appreciation" toekomt, terwijl het EHRM bij de bepaling van de bescherming die betrokkenen genieten onder het EVRM belang toekent aan de al dan niet legale status van het verblijf van betrokkenen.

4.3. De rechtbank heeft in dit kader onder meer het volgende overwogen (waarbij voor eiser moet worden gelezen: appellant): “Zoals reeds opgemerkt wordt de benodigde zorg aan eiser geleverd. Desgevraagd heeft de gemachtigde ter zitting verklaard dat aan eiser ook geen beëindiging van de zorg is aangezegd. Voorts is (…) niet gebleken dat de huidige situatie van eiser een onhoudbare is waaraan hij lichamelijk en geestelijk te gronde gaat en dat de normale ontwikkeling van het privé- en gezinsleven eiser onmogelijk wordt gemaakt.” De Raad onderschrijft deze overwegingen. De ter zitting gestelde behoefte aan pictogrammen op de kamer van appellant en het gevaar van weglopen leiden de Raad niet tot een ander oordeel. De Raad concludeert dat in redelijkheid niet kan worden volgehouden dat de weigering van het Zorgkantoor om appellant op grond van de AWBZ een aanspraak op zorg toe te kennen geen blijk geeft van een “fair balance” tussen de publieke belangen die betrokken zijn bij de weigering van die toegang en de particuliere belangen van appellant om wel tot zorg op grond van de AWBZ te worden toegelaten. Het beroep slaagt niet.

4.4. Voor een proceskostenveroordeling is dan ook geen grond.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.T. Berkel-Kikkert als voorzitter en H.J. de Mooij en A.J. Schaap als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2012.

(get.) G.M.T. Berkel-Kikkert.

(get.) B. Bekkers.

RB