Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW7705

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-06-2012
Datum publicatie
07-06-2012
Zaaknummer
10-1786 WMO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning vervoersvoorziening in de vorm van een forfaitaire vergoeding voor het gebruik van de eigen auto van € 1.075,-- per jaar en een op declaratiebasis uit te keren bedrag voor de kosten van een (individuele) taxi van € 2.525,-- per jaar. Omvang geding. De Raad kan zich verder vinden in de overwegingen van de rechtbank dat de aan appellante toegekende tegemoetkoming in de vervoerskosten - met de tweedeling die daarin is aangebracht - moet worden aangemerkt als een adequate voorziening. Ook voor de Raad weegt daarbij zwaar dat appellante met het toegekende budget zeer wel in staat moet worden geacht de uit de rechtspraak volgende afstand van 1.500 tot 2.000 (lokale) kilometers af te leggen. Daarbij wijst de Raad er op dat met het voor het gebruik van de eigen auto toegekende forfaitaire bedrag van € 1.075,-- al een afstand van 1.750 kilometer afgelegd kan worden, terwijl bovendien nog eens € 2.525,-- beschikbaar is voor taxivervoer. Zelfs al zou appellante met het bedrag voor het gebruik van de eigen auto minder ver kunnen reizen dan het college heeft gesteld, dan is er nog een aanzienlijk budget beschikbaar voor (aanvullend) taxivervoer. Ook de Raad acht het toegekende budget daarom ruimschoots toereikend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1786 WMO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van

10 februari 2010, 09/1425 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Moerdijk (college)

Datum uitspraak: 6 juni 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.J. de Rooij hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 april 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. de Rooij. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J.M.J. Biggelaar-Kuijpers, C.A.J. Bastiaansen en mr. C.H.A.M. van Broekhoven.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante is beperkt in haar mobiliteit. In 1995 is haar daarom op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet voorzieningen gehandicapten een financiële tegemoetkoming in de vervoerskosten verstrekt. Per 1 april 1996 is die tegemoetkoming omgezet in deelname aan het collectief vervoer. Vanaf 2003 heeft appellante, nadat was vastgesteld dat zij op medische gronden geen gebruik meer kon maken van het collectief vervoer, opnieuw een financiële tegemoetkoming in de vervoerskosten ontvangen.

1.2. Bij brief van 31 januari 2008 heeft het college aangegeven dat appellante op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) aanspraak blijft houden op een vervoersvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming in de vervoerskosten. Daarbij is aangegeven dat de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Moerdijk 2006 (Verordening 2006) in de loop van 2008 zal worden aangepast en dat de tegemoetkoming voor wat betreft het gebruik van de taxi alleen nog op declaratiebasis mogelijk zal zijn.

1.3. Bij brief van 3 juli 2008 is aan appellante meegedeeld dat de Verordening 2006 is gewijzigd en dat appellante per 11 augustus 2008 de door haar gemaakte taxikosten bij het college moet declareren.

1.4. Bij besluit van 31 juli 2008 heeft het college aan appellante op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wmo een vervoersvoorziening toegekend in de vorm van een forfaitaire vergoeding voor het gebruik van de eigen auto van € 1.075,-- per jaar en een op declaratiebasis uit te keren bedrag voor de kosten van een (individuele) taxi van € 2.525,-- per jaar.

1.5. Op 2 februari 2009 heeft de vaste commissie van advies voor de bezwaarschriften van de gemeente Moerdijk (bezwaarschriftencommissie) aan het college geadviseerd om het tegen het besluit van 31 juli 2008 gemaakte bezwaar ongegrond te verklaren. De bezwaarschriftencommissie heeft er op gewezen dat op grond van artikel 23 van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Moerdijk (Verordening) de financiële tegemoetkoming lokale verplaatsingen met een omvang van ten minste 1.500 kilometer mogelijk moet maken. Aangegeven is dat dat ruimschoots mogelijk is, reeds met de door appellante voor het gebruik van de eigen auto als forfaitair bedrag ontvangen tegemoetkoming van € 1.075,-- per jaar. Daarnaast ontvangt appellante, op declaratiebasis, ook nog een vergoeding voor het gebruik van een (individuele) taxi tot een maximum van € 2.525,-- per jaar. Naar het oordeel van de bezwaarschriftencommissie heeft het college daarmee op zeer coulante wijze vorm gegeven aan de toegekende vervoersvoorziening.

1.6. Bij besluit, verzonden op 11 februari 2009, heeft het college in overeenstemming met het advies van de bezwaarschriftencommissie het tegen het besluit van 31 juli 2008 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit op bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat uit de rechtspraak volgt dat met de toekenning van een vergoeding waarmee 2.000 kilometer per jaar kan worden afgelegd een persoon zich voldoende kan verplaatsen in de directe woon- en leefomgeving in het kader van het leven van alledag. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om het standpunt van het college dat met een vergoeding van € 1.075,-- voor het gebruik van de eigen auto een afstand van 1.750 kilometer kan worden afgelegd, voor onjuist te houden. Nu appellante bovendien nog € 2.525,-- aan taxikosten bij het college mag declareren, is zij in ruime mate in staat gesteld om maatschappelijk te participeren als bedoeld in de Wmo. De rechtbank is verder van oordeel dat de stelling van appellante dat zij wordt belemmerd in haar vervoersbehoeften omdat zij nu vooral is aangewezen op een taxi, geen gebruik meer kan maken van kennissen en haar echtgenoot haar vaker moet rijden voor haar hobby’s, niet maakt dat het college had moeten afwijken van het in artikel 15 van de Verordening neergelegde uitgangspunt dat de vergoeding voor taxikosten op declaratiebasis wordt verstrekt.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de rechtbank buiten de omvang van het geding is getreden door te oordelen dat de omvang van de tegemoetkoming in de vervoerskosten toereikend is. Appellante heeft verder aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geen gevolgen heeft verbonden aan het feit dat het college geen onderzoek heeft gedaan naar de vervoersbehoefte van appellante en geen maatwerk heeft geleverd. Appellante wil het bedrag dat zij aan taxikosten mag declareren vrijelijk kunnen besteden aan het vervoer per eigen auto. Appellante is van mening dat het college door de tegemoetkoming op te delen en aan elk van de delen een verplichte bestemming te koppelen, de keuzevrijheid van appellante ten onrechte heeft beperkt. Volgens appellante heeft het college geen gerechtvaardigd belang hierbij.

4. De Raad onderschrijft niet de stelling van appellante dat de rechtbank niet heeft beslist op de grondslag van het beroepschrift en dat zij buiten de omvang van het geding is getreden. De rechtbank heeft naar aanleiding van het in het beroepschrift opgenomen standpunt van appellante dat zij in (het gebruik van) haar vervoersbudget wordt beperkt, terecht enkele overwegingen gewijd aan de totale reisafstand die appellante met het aan haar toegekende budget kan afleggen in relatie tot het in de rechtspraak neergelegde uitgangspunt dat een vervoersvoorziening die neerkomt op een aflegbare afstand in de bandbreedte van circa 1.500 tot 2.000 kilometer per jaar in beginsel voldoet aan de ondergrens. Die reisafstand geldt immers als uitgangspunt van de aan appellante toegekende vervoersvoorziening. Gelet daarop faalt de stelling van appellante.

5. De Raad kan zich verder vinden in de overwegingen van de rechtbank dat de aan appellante toegekende tegemoetkoming in de vervoerskosten - met de tweedeling die daarin is aangebracht - moet worden aangemerkt als een adequate voorziening. Ook voor de Raad weegt daarbij zwaar dat appellante met het toegekende budget, zoals de rechtbank heeft overwogen, zeer wel in staat moet worden geacht de uit de rechtspraak volgende afstand van 1.500 tot 2.000 (lokale) kilometers af te leggen. Daarbij wijst de Raad er op dat met het voor het gebruik van de eigen auto toegekende forfaitaire bedrag van € 1.075,-- al een afstand van 1.750 kilometer afgelegd kan worden, terwijl bovendien nog eens € 2.525,-- beschikbaar is voor taxivervoer. Zelfs al zou appellante met het bedrag voor het gebruik van de eigen auto minder ver kunnen reizen dan het college heeft gesteld, dan is er nog een aanzienlijk budget beschikbaar voor (aanvullend) taxivervoer. Ook de Raad acht het toegekende budget daarom ruimschoots toereikend. Appellante is er niet in geslaagd de Raad van het tegendeel te overtuigen. De stellingen van appellante ter zake falen.

6. Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

7. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.T. Berkel-Kikkert als voorzitter en H.J. de Mooij en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van B. Bekkers als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2012.

(get.) G.M.T. Berkel-Kikkert.

(get.) B. Bekkers.

HD