Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW7697

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-06-2012
Datum publicatie
07-06-2012
Zaaknummer
10-2492 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering saldo van geldlening en achterstallige rente. Gezamenlijke aanvraag. Betrokkene heeft zich door medeondertekening van een tussen [H.] en de gemeente Amsterdam opgemaakte akte van schuldbekentenis, als hoofdelijk medeschuldenaar verbonden tot terugbetaling van al hetgeen aan de gemeente Amsterdam is verschuldigd. De bijstand in de vorm van een rentedragende geldlening wordt geacht aan [H.] en betrokkene tezamen, als gezin, te zijn verleend. Betrokkene is subject van de verleende bijstand. Betrokkene is de uit de akte van schuldbekentenis voortvloeiende rente- en aflossingsverplichtingen niet of niet behoorlijk nagekomen. Ingevolge artikel 59, derde lid, van de WWB is betrokkene hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van de geldlening en de achterstallige rente. De wijziging van het Bbz 2004 per 1 januari 2009 voorziet niet in overgangsrecht, zodat de bevoegdheid tot terugvordering zich reeds om die reden mede uitstrekt tot geldleningen die voor 1 januari 2009 ingevolge het Bbz 2004 zijn toegekend (onmiddellijk werking). Beroep op het vertrouwensbeginsel faalt. Geen uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt dat het college geen hoger beroep zou in stellen.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 59
Wet werk en bijstand 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2012/1435
RSV 2012/201 met annotatie van C.W.C.A. Bruggeman
JWWB 2012/125
USZ 2012/203
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/2492 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 maart 2010, 09/5812 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

Datum uitspraak 5 juni 2012.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. F.A. Piek een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2012. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Mulders. Voor betrokkene is mr. Piek verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in geding zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. De (toenmalige) echtgenoot van betrokkene, R.J.W. [H.] ([H.]), exploiteerde als zelfstandige onder de handelsnaam [handelsnaam] een taxibedrijf.

1.2. Op 5 september 2008 hebben [H.] en betrokkene gezamenlijk een aanvraag ingediend op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) om toekenning van een uitkering ter voorziening in bedrijfskapitaal.

1.3. Bij besluit van 24 oktober 2008 heeft appellant de gevraagde bijstand op grond van artikel 2, tweede lid, en artikel 20 van het Bbz 2004 toegekend in de vorm van een rentedragende lening van € 20.000,--. In dat kader heeft betrokkene zich door medeondertekening op 24 oktober 2008 van een tussen [H.] en de gemeente Amsterdam opgemaakte akte van schuldbekentenis, als hoofdelijk medeschuldenaar verbonden tot terugbetaling van al hetgeen aan de gemeente Amsterdam is verschuldigd.

1.4. Bij besluit van 19 mei 2009 heeft appellant het saldo van de geldlening en de achterstallige rente tot en met 30 april 2009 tot een bedrag van € 20.000,-- respectievelijk € 730,06 van [H.] en betrokkene teruggevorderd, omdat zij de uit de akte van schuldbekentenis voortvloeiende rente- en aflossingsverplichtingen niet of niet behoorlijk nakomen.

1.5. Bij besluit van 5 november 2009 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 19 mei 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, het besluit van 19 mei 2009 herroepen en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Betrokkene heeft aangevoerd dat appellant niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep, omdat appellant het vertrouwensbeginsel heeft geschonden door in hoger beroep te gaan, ondanks uitlatingen die op het tegendeel wezen.

4.2. Dit betoog faalt. Een beroep op het vertrouwensbeginsel kan volgens vaste rechtspraak van de Raad (waaronder CRvB 19 november 2009, LJN BK4735) alleen slagen als van de kant van het tot beslissen bevoegd orgaan uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezeggingen zijn gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Aan deze eisen wordt in dit geval niet voldaan. De vertegenwoordiger van appellant heeft ter zitting aangegeven, hetgeen niet is betwist, dat zij in een telefoongesprek met de gemachtigde van betrokkene desgevraagd heeft gemeld dat hoger beroep op dat moment niet werd overwogen. Toen naderhand alsnog tot hoger beroep is besloten, heeft zij dat meteen aan gemachtigde van betrokkene laten weten.

4.3. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant gehouden was het in het besluit van 19 mei 2009 genoemde bedrag van [H.] terug te vorderen.

4.4. [H.] en betrokkene hebben de aanvraag van 5 september 2008 gezamenlijk ingediend, waarbij betrokkene de aanvraag als echtgenote van [H.] mede heeft ondertekend. Het besluit van 24 oktober 2008, waarbij op deze aanvraag positief is beslist, is aan [H.] en betrokkene gericht. De bijstand in de vorm van een rentedragende geldlening wordt daarom geacht aan [H.] en betrokkene tezamen, als gezin, te zijn verleend. De stelling van betrokkene dat op het moment van de toekenning van bijstand al geruime tijd geen sprake was van een gezamenlijke huishouding van betrokkene en [H.] - wat daarvan verder ook zij - kan daar niet aan afdoen.

4.5. Appellant heeft aangevoerd dat de uitspraak van de Raad van 20 oktober 2009, LJN BK1188, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet van toepassing is. Deze grond slaagt. In genoemde uitspraak ging het om medeterugvordering van een vennoot in een vennootschap onder firma die door medeondertekening van de akte van schuldbekentenis hoofdelijk aansprakelijk was voor de terugbetaling van de verstrekte geldlening op grond van het Bbz 2004. Voor medeterugvordering van een zelfstandige die niet zelf als subject van de verleende bijstand kan worden aangemerkt, ontbreekt de grondslag in het Bbz 2004. In dit geding is betrokkene echter subject van de verleende bijstand.

4.6. Uit hetgeen onder 4.4 en 4.5 is overwogen volgt dat appellant ingevolge artikel 59, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) bevoegd is de verleende bijstand van betrokkene als subject van de verleende bijstand terug te vorderen. Ingevolge artikel 59, derde lid, van de WWB is betrokkene hoofdelijk aansprakelijk voor de terugbetaling van de geldlening en de achterstallige rente.

4.7. Het betoog van betrokkene dat de wijziging van het Bbz 2004 per 1 januari 2009 niet van toepassing is, omdat de geldlening voor die datum is toegekend, slaagt niet. De wijziging van het Bbz 2004 per 1 januari 2009 voorziet niet in overgangsrecht, zodat de bevoegdheid tot terugvordering zich reeds om die reden mede uitstrekt tot geldleningen die voor 1 januari 2009 ingevolge het Bbz 2004 zijn toegekend (onmiddellijk werking). Gelet op de omstandigheden onder 4.4 en de omstandigheid dat [H.] de akte van schuldbekentenis mede heeft ondertekend heeft het college op juiste wijze gebruik gemaakt van zijn terugvorderingsbevoegdheid.

4.8. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep slaagt. De Raad zal de aangevallen uitspraak vernietigen en het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-vernietigt de aangevallen uitspraak;

-verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.F. Bandringa en W.H. Bel als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2012.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) E. Heemsbergen.

HD