Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW7668

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-06-2012
Datum publicatie
06-06-2012
Zaaknummer
11-4464 WW-V
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

Verzoek uitstel beroepsgronden. Verzet ongegrond. De gronden van het hoger beroep zijn niet binnen de daarvoor gestelde termijn ingediend. Niet is gebleken van feiten en omstandigheden die leiden tot het oordeel dat (de gemachtigde van) appellant niet in verzuim is geweest. De Raad volgt de gemachtigde van appellant niet is zijn betoog de betrokken medewerkster van de Raad uitstel zou hebben verleend voor het indienen van de gronden of zou hebben ingestemd met het doen van een verzoek daartoe na het verstrijken van de gestelde termijn.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:5
Algemene wet bestuursrecht 6:6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2012/222
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/4464 WW-V

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 8 juli 2011, 10/1164 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 4 juni 2012.

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet van 30 november 2011 heeft de Raad het namens appellant door mr. L. de Koning, fiscaal en juridisch adviseur, ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen de uitspraak van de Raad van 30 november 2011 heeft mr. De Koning namens appellant verzet gedaan.

Het verzet is behandeld ter zitting van 7 mei 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Koning. Het Uwv is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

De uitspraak van de Raad van 30 november 2011 berust op de overwegingen dat de gronden van het hoger beroep niet binnen de bij - aangetekend verzonden - brief van 10 oktober 2011 gestelde termijn van vier weken zijn ingediend, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat (de gemachtigde van) appellant niet in verzuim is geweest.

Naar aanleiding van de brief van 10 oktober 2011 heeft de gemachtigde van appellant de Raad bij brief van 16 november 2011, bij de Raad ingekomen op 18 november 2011, bericht dat partijen in onderhandeling zijn om tot een minnelijke regeling te komen en verzocht uitstel te verlenen voor het indienen van de gronden tot 1 april 2012.

De Raad stelt vast dat de brief van 16 november 2011 na het verstrijken van de bij de brief van 10 oktober 2011 gestelde termijn is verzonden.

In verzet heeft de gemachtigde van appellant naar voren gebracht dat hij op 21 oktober 2011 telefonisch contact heeft gehad met een met name genoemde medewerkster van (de griffie van) de Raad over de mogelijkheid van uitstel voor het indienen van de gronden. Daarbij heeft de betrokken medewerkster medegedeeld dat een verzoek om uitstel schriftelijk moet worden gedaan. Met de brief van 16 november 2011 is uitvoering gegeven aan de gemaakte afspraken. Alles is binnen de termijn gebeurd, aldus de gemachtigde van appellant.

Voor zover de gemachtigde van appellant met het voorgaande (tevens) heeft willen betogen dat de betrokken medewerkster uitstel zou hebben verleend voor het indienen van de gronden of zou hebben ingestemd met het doen van een verzoek daartoe na het verstrijken van de gestelde termijn, volgt de Raad dit niet. Uit de verklaring van de gemachtigde van appellant komt niet meer naar voren dan dat de betrokken medewerkster de gemachtigde heeft uitgelegd hoe moest worden gehandeld om uitstel te krijgen. In artikel 4, eerste lid, van de Procesregeling bestuursrechterlijke colleges 2006 is neergelegd dat een verzoek om verlenging van een gestelde termijn, moet worden gedaan binnen die termijn. In dat licht is niet aannemelijk - en in strijd met de bestaande werkinstructies - dat een medewerker van (de griffie van) de Raad met een partij een daarvan afwijkende afspraak zou maken.

Nu ook overigens niet is gebleken van feiten en omstandigheden die leiden tot het oordeel dat (de gemachtigde van) appellant niet in verzuim is geweest, betekent dit dat het verzet ongegrond moet worden verklaard.

Voor een veroordeling in de proceskosten van het verzet ziet de Raad geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzet ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons als voorzitter en H.C.P. Venema en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2012.

(get.) T.G.M. Simons

(get.) D.W.M. Kaldenhoven

RH