Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW7567

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-06-2012
Datum publicatie
06-06-2012
Zaaknummer
10-1196 WIA-T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Toekenning loongerelateerde WGA-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het Uwv heeft terecht geen reële en volledige arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering van betrokkene aangenomen. Er is geen aanleiding tot twijfel aan de medische beoordeling van de bezwaarverzekeringsarts ten aanzien van de datum in geding. De bezwaararbeidsdeskundige heeft niet kunnen volstaan met de constatering dat met het vervallen van één van de drie door de primaire arbeidsdeskundige geselecteerde functies er onvoldoende functies resteren. De bezwaararbeidsdeskundige had opnieuw het CBBS dienen te raadplegen teneinde te onderzoeken of er op de datum bij het bestreden besluit nog functies konden worden geselecteerd die voor betrokkene, rekening houdend met zijn beperkingen, geschikt waren. Het Uwv krijgt de opdracht het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1196 WIA–T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 12 januari 2010, 09/772 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [vestigingsplaats] (appellante)

De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 1 juni 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. X. Evers, werkzaam bij Koninklijke Metaalunie te Nieuwegein, hoger beroep ingesteld.

Namens het Uwv is een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2012. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Evers. Namens het Uwv is mr. A.J.G. Lindeman verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1. [betrokkene] (betrokkene), van 7 maart 2005 tot 7 september 2006 werknemer bij appellante, heeft zich met ingang van 6 april 2006 ziek gemeld in verband met contacteczeem en psychische klachten. Betrokkene heeft een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd.

1.2. Betrokkene is op 14 februari 2008 onderzocht door de verzekeringsarts van het Uwv. De verzekeringsarts vermeldde dat betrokkene bij aanvang van de verzekering op grond van het dienstverband bij appellante al beperkingen had in de zin van sociaal en persoonlijk functioneren. In verband hiermee heeft de verzekeringsarts een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) bij aanvang van de verzekering en een FML bij het einde van de wachttijd opgesteld. In deze lijsten zijn in de rubrieken 1 (persoonlijk functioneren) en 2 (sociaal functioneren) gelijke beperkingen in aanmerking genomen. Vervolgens werd bij het arbeidskundig onderzoek vastgesteld dat betrokkene zijn werkzaamheden als monteur bij appellante geruime tijd naar behoren heeft gedaan en dat appellante zeer tevreden was over zijn functioneren zodat voor de bepaling van de maatman is uitgegaan van deze functie. De arbeidskundige is tot de conclusie gekomen dat er functies aanwijsbaar zijn die in overeenstemming zijn met de voor betrokkene geldende FML. In die functies kan betrokkene een zodanig inkomen verdienen dat in vergelijking met de laatstelijk door hem verrichte functie van monteur een verlies aan verdiencapaciteit resteert van 18,51%.

Dit leidde tot het besluit van 7 maart 2008 waarbij het Uwv heeft vastgesteld dat voor betrokkene per 3 april 2008 geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet WIA onder de overweging dat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was.

1.3. In bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts de FML op 4 juni 2008 gewijzigd, in die zin dat hij per einde wachttijd in de rubrieken 1 en 2 (persoonlijk en sociaal functioneren) minder beperkingen aanwezig achtte en in rubriek 4 (dynamische handelingen) meer beperkingen. De bezwaararbeidsdeskundige heeft vervolgens in een rapport van juni 2008 een van de drie eerder geduide functies laten vervallen en heeft vastgesteld dat onvoldoende functies resteren om een theoretische verdiencapaciteit op te baseren. De bezwaararbeidsdeskundige achtte opnieuw raadplegen van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) niet zinvol, omdat de primaire arbeidsdeskundige heeft vermeld dat bij onderzoek in het CBBS slechts drie sbc-codes geschikt bevonden waren.

Bij het bestreden besluit van 24 juni 2008 heeft het Uwv het bezwaar van betrokkene gegrond verklaard en vastgesteld dat voor betrokkene met ingang van 3 april 2008 recht is ontstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering en dat daarbij de mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% is.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat er geen aanleiding is om de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onjuist te achten. De rechtbank heeft voorts overwogen dat betrokkene gelet op de arbeidskundige rapportages en de toelichting van het Uwv, bij aanvang van de werkzaamheden, mede gelet op de daarvoor geldende FML, belastbaar was voor de maatmanfunctie van monteur. Onder verwijzing naar de vaste rechtspraak van de Raad heeft de rechtbank overwogen dat geschiktheid voor de maatmanfunctie in beginsel de vooronderstelling rechtvaardigt dat geen sprake is van arbeidsongeschiktheid. Appellante heeft naar voren gebracht dat betrokkene tot zijn uitval per 6 april 2006 de maatmanfunctie naar volle tevredenheid heeft verricht en dat nooit iets te merken was van enige beperking op het gebied van sociaal en persoonlijk functioneren. Gelet op deze omstandigheden heeft de rechtbank aangenomen dat bij aanvang van de werkzaamheden geen sprake was van reële arbeidsongeschiktheid. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv daarom terecht geen toepassing heeft gegeven aan artikel 46, derde lid, van de Wet WIA.

Tenslotte heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gezien voor het oordeel dat het Uwv betrokkene als duurzaam arbeidsongeschikt had moeten aanmerken.

3.1. Appellante heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat er bij aanvang van de verzekering indicaties waren voor het bestaan van een reële en volledige arbeidsongeschiktheid. Met name de beperkingen in de rubrieken 1 en 2 van de FML bestonden al voor aanvang van het dienstverband. De gemachtigde van appellante heeft ter zitting aangevoerd dat het Uwv onvoldoende heeft onderbouwd waarom het aantal uren lopen per dag neerwaarts is bijgesteld. Voorts heeft de gemachtigde van appellante ter zitting verwezen naar de concept-verklaring van bedrijfsarts J.R. Bruins Slot, waarin is aangegeven dat betrokkene met alleen de beperkingen in de rubrieken 3 en 4 minder dan 35% arbeidsongeschikt zou worden bevonden.

3.2. Het Uwv heeft in zijn verweerschrift te kennen gegeven zich te kunnen vinden in de aangevallen uitspraak. Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat betrokkene met de beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren altijd naar behoren in de maatgevende arbeid heeft gefunctioneerd. Het Uwv heeft verwezen naar een aanvullende rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige, waarin is aangegeven dat de beperkingen in de rubriek 4 er de oorzaak van zijn dat er onvoldoende functies zijn gevonden.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. De Raad stelt voorop dat appellante als eigen risicodrager belang heeft bij deze procedure maar dat hetgeen de gemachtigde van appellante overigens naar voren heeft gebracht inzake het eigen risicodragerschap buiten de omvang van het geding valt.

4.2. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het Uwv terecht geen reële en volledige arbeidsongeschiktheid bij aanvang van de verzekering van betrokkene heeft aangenomen en geen toepassing heeft gegeven aan artikel 46, derde lid, onder a, van de Wet WIA. Bij aanvang van de werkzaamheden was bij betrokkene weliswaar sprake van beperkingen, maar deze hebben niet geleid tot ongeschiktheid voor het uitoefenen van de functie van monteur. De Raad verwijst naar de overwegingen van de rechtbank terzake en maakt deze tot de zijne. De Raad voegt hieraan toe dat de wet er niet in voorziet om klachten of beperkingen, die niet hebben geleid tot het aannemen van arbeidsongeschiktheid, per einde wachttijd buiten beschouwing te laten.

4.3. De Raad ziet geen aanleiding tot twijfel aan de medische beoordeling van de bezwaarverzekeringsarts ten aanzien van de datum in geding, 3 april 2008, zoals neergelegd in de FML van 4 juni 2008. De bezwaarverzekeringsarts heeft voldoende gemotiveerd waarom hij in de beschikbare (medische) informatie aanleiding heeft gezien de FML per einde wachttijd op een aantal items, waaronder het item lopen, aan te passen. Appellante heeft geen medische gegevens in geding gebracht waaruit kan worden afgeleid dat voor betrokkene op de datum in geding andere beperkingen moeten worden aangenomen. De ter zitting overgelegde concept-verklaring van bedrijfsarts Bruins Slot leidt niet tot een ander oordeel.

4.4. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit is de Raad van oordeel dat de bezwaararbeidsdeskundige niet heeft kunnen volstaan met de - ook in 1.3 vermelde - constatering dat met het vervallen van één van de drie door de primaire arbeidsdeskundige geselecteerde functies er onvoldoende functies resteren. De Raad merkt op dat de bezwaarverzekeringsarts de FML op meerdere onderdelen heeft aangepast. In de FML van 4 juni 2008 zijn beperkingen in de rubriek 1 en 2 afgezwakt en zijn in rubriek 4 meer beperkingen vermeld. Onder deze omstandigheden had de bezwaararbeidsdeskundige opnieuw het CBBS dienen te raadplegen teneinde te onderzoeken of er op de datum bij het bestreden besluit nog functies konden worden geselecteerd die voor betrokkene, rekening houdend met zijn beperkingen, geschikt waren.

4.5. De Raad ziet met het oog op het kunnen geven van een finaal oordeel in dit geschil aanleiding het Uwv met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet op te dragen het in 4.4 vastgestelde zorgvuldigheidsgebrek in het bestreden besluit te herstellen.

Het Uwv zal daartoe door de bezwaararbeidsdeskundige, zonodig in overleg met een bezwaarverzekeringsarts, een beoordeling moeten laten maken, waarbij uitgaande van de FML van 4 juni 2008 het CBBS opnieuw wordt geraadpleegd en wordt bezien welke consequenties dit heeft voor de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene op de datum in geding.

4.6. Het is de Raad overigens opgevallen dat de bezwaarverzekeringsarts in hoger beroep in de rapportage van 4 mei 2010 heeft opgemerkt dat het niet ondenkbaar is dat inmiddels herstel van de huidafwijkingen aan de voeten is opgetreden op grond waarvan de beperkingen in het lopen kunnen zijn afgenomen en dat er van de zijde van het Uwv geen reactie is gekomen op het verzoek van appellante om herkeuring van betrokkene.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen zes weken na het verzenden van deze tussenuitspraak het in 4.4 vermelde gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2012.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) Z. Karekezi.

EK