Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW7553

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-05-2012
Datum publicatie
06-06-2012
Zaaknummer
10-6390 WSF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant, met Ghanese nationaliteit en geboren in 1980, verblijft zonder geldige verblijfsvergunning in Nederland. Hij volgt hoger onderwijs. Appellants aanvraag om studiefinanciering op grond van de Wsf 2000 aangevraagd is afgewezen. Daartoe is overwogen dat appellant niet voldoet aan het in art. 2.2 van de Wsf 2000 neergelegde nationaliteitsvereiste, en evenmin aan de voorwaarden die gelden ingevolge de in art. 3 van het Bsf 2000 neergelegde gelijkstellingsregeling.

Raad: De Raad heeft geen aanknopingspunten gevonden om het niet toekennen van studiefinanciering aan appellant, gegeven het niet legale karakter van zijn verblijf in Nederland, in strijd te achten met het door art. 2 van het Eerste Protocol bij het EVRM gegarandeerde recht op onderwijs. Er is geen grond om aan te nemen dat er ingevolge art. 2 van het Eerste Protocol bij het EVRM op de Minister een positieve verplichting rust om aan appellant studiefinanciering toe te kennen. Het niet toekennen van studiefinanciering, die primair voor levensonderhoud is bedoeld, maakt niet dat gezegd zou moeten worden dat het recht op onderwijs voor appellant niet practical and effective is.

In het kader van de toetsing van het bestreden besluit aan art. 14 EVRM moet de vraag worden beantwoord of er een toereikende rechtvaardiging is voor het ingevolge art. 2.2 van de Wsf 2000 in samenhang met art. 3 van het Bsf 2000 gemaakte onderscheid naar nationaliteit en verblijfsstatus. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend. Het oordeel van het EHRM in de zaak Ponomaryov (10 februari 2009, 5335/05) brengt daarin, gelet op de relevante verschillen met de onderhavige zaak, geen verandering. De Raad wijst er in dit verband op dat de appellanten in die zaak rechtmatig verblijf hielden in het land waar zij onderwijs genoten, terwijl appellant in de onderhavige zaak geen rechtmatig verblijf houdt in Nederland. Voorts volgden de appellanten in die zaak voortgezet onderwijs en werden er voor wat betreft de toegang tot dat onderwijs aan hen meer, althans andere, eisen gesteld dan aan leerlingen met de nationaliteit van het land, terwijl appellant in het onderhavige geval hoger onderwijs volgt en aan hem dezelfde (financiƫle) toegangseisen worden gesteld als aan de andere studerenden bij de door appellant gevolgde opleiding. Vergelijking met de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van de Raad van 15 juli 2011, LJN: BR1905, leidt evenmin tot een ander oordeel. In die zaak ging het, naast andere relevante verschillen, immers om aanspraken ten behoeve van minderjarigen, terwijl appellant in de onderhavige zaak meerderjarig is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2012/189
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6390 WSF

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (appellant)

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 19 oktober 2010, 09/951 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant,

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister).

Datum uitspraak: 11 mei 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Klaas, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. W.G. Fischer, kantoorgenoot van mr. Klaas. De Minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. E.H.A. van den Berg.

II. OVERWEGINGEN

1. Per 1 januari 2010 is de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (IB-Groep) in rechte opgevolgd door de Minister. In deze uitspraak wordt onder de Minister tevens verstaan de IB-Groep.

2.1. Appellant, die is geboren [in] 1980 en die de Ghanese nationaliteit heeft, verblijft zonder geldige verblijfsvergunning in Nederland. Hij volgt hoger onderwijs aan de [naam hogeschool] te [vestigingsplaats].

2.2. Appellant heeft per 1 september 2009 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) aangevraagd. Op deze aanvraag heeft de Minister afwijzend beslist. De bezwaren van appellant daartegen zijn door de Minister bij besluit van 23 november 2009 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat appellant niet voldoet aan het in artikel 2.2 van de Wsf 2000 neergelegde nationaliteitsvereiste, en evenmin aan de voorwaarden die gelden ingevolge de in artikel 3 van het Besluit studiefinanciering 2000 (Bsf 2000) neergelegde gelijkstellingsregeling.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

4.1. Appellant heeft in hoger beroep in essentie zijn in de eerdere fasen van de procedure naar voren gebrachte standpunten herhaald. Primair is gesteld dat er ingevolge artikel 2 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) op de Minister een positieve verplichting rust om aan appellant studiefinanciering toe te kennen; het recht op onderwijs is bij het ontbreken van studiefinanciering niet practical and effective in de zin van genoemd artikel. Subsidiair is aangevoerd dat de weigering om appellant studiefinanciering toe te kennen leidt tot een ingevolge artikel 14 van het EVRM verboden discriminatie naar nationaliteit en verblijfsstatus.

4.2. De Minister heeft zich, onder verwijzing naar de overwegingen van de rechtbank, op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit verenigbaar is met de ingeroepen verdragsbepalingen.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Niet in geschil is dat appellant niet de Nederlandse nationaliteit heeft en dat hij niet in aanmerking komt voor gelijkstelling met een Nederlander op grond van artikel 2.2 van de Wsf 2000 in samenhang met artikel 3 van het Bsf 2000.

5.2.1. Appellant heeft primair gesteld dat er ingevolge artikel 2 van het Eerste Protocol bij het EVRM op de Minister een positieve verplichting rust om aan hem studiefinanciering toe te kennen. In de eerste volzin van artikel 2 van het Eerste Protocol is bepaald dat niemand het recht op onderwijs mag worden ontzegd.

5.2.2. In zijn uitspraak van 27 mei 2011, LJN BQ6891, heeft de Raad overwogen dat de eerste volzin van artikel 2 van het Eerste Protocol bij het EVRM binnen de Nederlandse rechtsorde is aan te merken als een eenieder verbindende verdragsbepaling als bedoeld in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet. De Raad overwoog in deze uitspraak ook dat studiefinanciering naar zijn oordeel binnen het toepassingsbereik van de eerste volzin van artikel 2 van het Eerste Protocol bij het EVRM valt. De Raad heeft daarbij verwezen naar de ontvankelijkheidsbeslissing van het Europees Hof van de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak Ponomaryov en anderen tegen Bulgarije (EHRM 10 februari 2009, 5335/05). Er is geen aanleiding daarover in de onderhavige zaak tot een ander oordeel te komen.

5.2.3. Onder verwijzing naar zijn in 5.2.2 genoemde uitspraak van 27 mei 2011, en met overneming van hetgeen daarin met betrekking hiertoe is overwogen, komt de Raad ook in het geval van appellant tot de conclusie dat de Raad geen aanknopingspunten heeft gevonden om het niet toekennen van studiefinanciering aan appellant, gegeven het niet legale karakter van zijn verblijf in Nederland, in strijd te achten met het door artikel 2 van het Eerste Protocol bij het EVRM gegarandeerde recht op onderwijs. Er is geen grond om aan te nemen dat er ingevolge artikel 2 van het Eerste Protocol bij het EVRM op de Minister een positieve verplichting rust om aan appellant studiefinanciering toe te kennen. Het niet toekennen van studiefinanciering, die primair voor levensonderhoud is bedoeld, maakt niet dat gezegd zou moeten worden dat het recht op onderwijs voor appellant niet practical and effective is.

5.2.4. Hetgeen is overwogen in 5.2.1 tot en met 5.2.3 leidt tot verwerping van het primaire standpunt van appellant.

5.3.1. Subsidiair heeft appellant, ter zitting bij de Raad, het standpunt ingenomen dat het bestreden besluit strijdig is met het verbod op discriminatie dat is neergelegd in artikel 14 van het EVRM. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft hij verwezen naar het inhoudelijke oordeel van het EHRM over de eerdergenoemde zaak Ponomaryov en anderen tegen Bulgarije (uitspraak van 21 juni 2011, LJN BU3952).

5.3.2. Met betrekking tot het subsidiaire standpunt van appellant overweegt de Raad dat het onder punt 5.2.2 herhaalde oordeel dat studiefinanciering binnen het toepassingsbereik valt van artikel 2 van het Eerste Protocol, impliceert dat appellant in het onderhavige geding ook een beroep toekomt op het discriminatieverbod van artikel 14 van het EVRM, dat volgens vaste rechtspraak binnen de Nederlandse rechtsorde eveneens is aan te merken als een eenieder verbindende verdragsbepaling als bedoeld in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet.

5.3.3. In het kader van de toetsing van het bestreden besluit aan artikel 14 van het EVRM moet de vraag worden beantwoord of er een toereikende rechtvaardiging is voor het ingevolge artikel 2.2 van de Wsf 2000 in samenhang met artikel 3 van het Bsf 2000 gemaakte onderscheid naar nationaliteit en verblijfsstatus. Onder verwijzing naar zijn meergenoemde uitspraak van 27 mei 2011 en met overneming van de daarin gebezigde overwegingen, beantwoordt de Raad die vraag ook in het onderhavige geval bevestigend. Het oordeel van het EHRM in de in 5.3.1 bedoelde uitspraak brengt daarin, gelet op de relevante verschillen met de onderhavige zaak, geen verandering. De Raad wijst er in dit verband op dat de appellanten in die zaak rechtmatig verblijf hielden in het land waar zij onderwijs genoten, terwijl appellant in de onderhavige zaak geen rechtmatig verblijf houdt in Nederland. Voorts volgden de appellanten in die zaak voortgezet onderwijs en werden er voor wat betreft de toegang tot dat onderwijs aan hen meer, althans andere, eisen gesteld dan aan leerlingen met de nationaliteit van het land, terwijl appellant in het onderhavige geval hoger onderwijs volgt en aan hem dezelfde (financiƫle) toegangseisen worden gesteld als aan de andere studerenden bij de door appellant gevolgde opleiding. Vergelijking met de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van de Raad van 15 juli 2011, LJN BR1905, leidt evenmin tot een ander oordeel. In die zaak ging het, naast andere relevante verschillen, immers om aanspraken ten behoeve van minderjarigen, terwijl appellant in de onderhavige zaak meerderjarig is.

5.3.4. Uit het voorgaande volgt dat de Raad ook het subsidiaire standpunt van appellant verwerpt.

6. Het hoger beroep van appellant slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

7. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter, en J. Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2012.

(get.) T. Hoogenboom.

(get.) Z. Karekezi.

IvR