Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW7543

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-05-2012
Datum publicatie
05-06-2012
Zaaknummer
10-7009 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijzondere bijstand. De AWBZ kan naar haar aard en doel voor de kosten in geding niet als voorliggende voorziening worden beschouwd. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld vloeien in dit geval de meerkosten van bewassing wel voort uit bijzondere omstandigheden. Het college heeft ter zitting erkend dat het ten onrechte in het bestreden besluit heeft aangenomen dat appellante over draagkracht beschikt om in deze waskosten te voorzien. Dit betekent dat het college aan appellante bijzondere bijstand voor kosten van bewassing had moeten toekennen. Vernietiging aangevallen uitspraak en vernietiging van het bestreden besluit. De Raad herroept het primaire besluit en kent aan appellante bijzondere bijstand toe voor meerkosten van bewassing tot een bedrag van € 40,-- per maand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2012/200 met annotatie van H. van Deutekom
JWWB 2012/111
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/7009 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 november 2010, 10/1544 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Lansingerland (college)

Datum uitspraak: 23 mei 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft E. Bodbijl, werkzaam bij Stichting Advisering en Bewindvoering te Berkel en Rodenrijs (Stichting), hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in het geding met reg.nr. 10/7015 WWB, plaatsgevonden op 29 februari 2012. Voor appellante is verschenen M.M. Bodbijl, kantoorgenoot van E. Bodbijl. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door R.M.A. Desain en mr. G.A. Tuhuteru. Na de zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante verblijft in een woonzorgcentrum. Zij ontvangt vanaf 27 maart 2007 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande verblijvend in een inrichting. Bij uitspraak van 1 december 2009 heeft de rechtbank een bewind ingesteld over de goederen toebehorende aan appellante en de Stichting tot bewindvoerder benoemd.

1.2. Appellante heeft op 6 december 2009 een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand ingevolge de WWB voor onder meer de kosten van het wassen van haar kleding tot een bedrag van €45,-- per maand en met ingang van 1 juli 2009. Bij besluit van 26 januari 2010 heeft het college de aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van bewassing afgewezen.

1.3. Bij besluit van 14 april 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 26 januari 2010 ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van de kosten van de bezwaarschriftprocedure afgewezen. Daartoe heeft het college overwogen dat de kosten van bewassing behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, tenzij er sprake is van extra kosten van bewassing voortvloeiende uit bijzondere individuele omstandigheden. Voor de meerkosten kan dan bijzondere bijstand worden verleend, tenzij sprake is van een voorliggende voorziening. De Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ) is voor appellante, die in een verpleeghuis verblijft, een voorliggende voorziening. In die wet is bepaald dat de kosten van normale bewassing niet vergoed worden, omdat dit niet tot de noodzakelijk te verzekeren zorg behoort. Daarom is er ook geen aanspraak op bijzondere bijstand. Verder is niet gebleken dat appellante de kosten van € 45,-- per maand niet kan voldoen uit haar inkomen. Ten slotte zijn er geen zeer dringende redenen om toch bijzondere bijstand te verstrekken.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat zij niet anders kan dan gebruik maken van de wasservice van het verpleeghuis en dat het om zeer hoge kosten gaat in verhouding tot normale bewassingskosten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In artikel 35, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn.

4.2. Bij de toepassing van artikel 35, eerste lid, van de WWB dient eerst beoordeeld te worden of de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd zich voordoen, vervolgens of die kosten in het individuele geval van de alleenstaande of het gezin noodzakelijk zijn en daarna of die kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of de kosten kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, op welk punt het college ingevolge genoemde bepaling een zekere beoordelingsvrijheid heeft. De omstandigheid dat de alleenstaande of het gezin al dan niet de mogelijkheid heeft gehad te reserveren voor de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd, is een aspect dat moet worden beoordeeld in het kader van de vraag of de zich voordoende, noodzakelijke kosten, voortvloeien uit bijzondere individuele omstandigheden.

4.3. Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de WWB bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Het recht op bijstand strekt zich evenmin uit tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt.

4.4. Voor de kosten van (para)medische zorg worden de Zorgverzekeringswet en de AWBZ in beginsel als aan de WWB voorliggende, toereikende en passende voorzieningen beschouwd. Gelet op het bepaalde in artikel 6 van de AWBZ en hoofdstuk II van het Besluit zorgaanspraken AWBZ behoren de kosten van normale bewassing van de eigen kleding voor bewoners van een AWBZ-inrichting niet tot de zorg waarop verzekerden aanspraak hebben. Dat is anders ten aanzien van de extra waskosten voor kleding die vaker dan normaal moet worden gewassen vanwege de ziekte of aandoening. Omdat normale bewassing van kleding geen (para)medische zorg is op grond van de AWBZ, merkt deze regeling de kosten in geding dan ook niet aan als noodzakelijk of niet noodzakelijk. Daarom kan de AWBZ naar haar aard en doel voor de kosten in geding niet als voorliggende voorziening worden beschouwd.

4.5. Gelet op het verhandelde ter zitting is niet in geschil dat de kosten waarvoor appellante bijzondere bijstand heeft gevraagd zich voordeden en dat die kosten in het individuele geval van appellante noodzakelijk waren. Tussen partijen is in geschil of tevens aan de voorwaarde is voldaan dat de betreffende kosten voortvloeien uit bijzondere omstandigheden. Appellante heeft aannemelijk gemaakt dat zij niet in staat is zelf haar kleding te wassen. Nu ze ook geen beroep kan doen op haar familieleden, moet zij het wassen van haar kleding uitbesteden aan de wasservice van het woonzorgcentrum waar zij verblijft. Dit brengt aanzienlijk hogere kosten met zich dan zelf wassen. Daarom vloeien in dit geval de meerkosten van bewassing, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, wel voort uit bijzondere omstandigheden.

4.6. Het college hanteert bij de beantwoording van de vraag of naar zijn oordeel de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, de Beleidsregels Bijzondere Bijstand 2008. In dat beleid heeft het college in artikel 8, tiende lid, bepaald dat het inkomen tot en met 115% van de bijstandsnorm draagkrachtloos inkomen is. Het college heeft ter zitting erkend dat het ten onrechte, namelijk in afwijking van deze beleidsregel, in het bestreden besluit heeft aangenomen dat appellante over draagkracht beschikt om in deze waskosten te voorzien. Dit betekent dat het college aan appellante bijzondere bijstand voor kosten van bewassing had moeten toekennen.

4.7. De rechtbank heeft hetgeen onder 4.4 tot en met 4.6 is overwogen niet onderkend. De aangevallen uitspraak komt daarom voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 15, eerste lid, en 35, eerste lid, van de WWB en artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en overweegt daartoe als volgt.

4.8. Appellante heeft na 6 december 2009 geen nieuwe aanvraag voor bijzondere bijstand voor waskosten ingediend. Ter zitting heeft het college meegedeeld dat het zich met het oog op finale geschillenbeslechting van dit geding kan vinden in een uitspraak van de Raad die betrekking heeft op de periode vanaf de aanvraag tot en met de datum van deze uitspraak. Voorts heeft het college opgemerkt dat de draagkracht van appellante op nihil gesteld dient te worden tot op de dag waarop de Raad eventueel zelf in de zaak zou voorzien. Appellante heeft geen bijzondere omstandigheden gesteld die in afwijking van het bepaalde in de artikelen 43 en 44 van de WWB verlening van bijzondere bijstand met ingang van 1 juli 2009 rechtvaardigen. Dit betekent dat aan appellante bijzondere bijstand voor waskosten dient te worden toegekend met ingang van 6 december 2009 tot en met de datum van deze uitspraak. Tussen partijen is ten slotte niet in geschil dat appellante € 45, per maand voor haar bewassing moet betalen aan de instelling waar zij verblijft en dat de normkosten voor normale bewassing omstreeks € 5,-- per maand bedragen. Daarom zal appellante voor de meerkosten van bewassing een bedrag van € 40,-- per maand worden toegekend met ingang van 6 december 2009 tot en met de dag van deze uitspraak.

5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de kosten van appellante in deze procedure. Deze kosten worden begroot op € 437,-- in bezwaar, € 874,-- in beroep en € 874,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 14 april 2010;

- herroept het besluit van 26 januari 2010;

- kent aan appellante bijzondere bijstand toe voor meerkosten van bewassing tot een

bedrag van € 40,-- per maand met ingang van 6 december 2009 tot en met de dag van

deze uitspraak;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 14 april 2010;

- veroordeelt het college in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.185,--.

- bepaalt dat het college aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde

griffierecht van in totaal € 152,-- vergoedt;

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2012.

(get.) O.L.H.W.I. Korte.

(get.) N.M. van Gorkum.

HD