Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW7535

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-05-2012
Datum publicatie
05-06-2012
Zaaknummer
10-63 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking bijstand. Gezamenlijke huishouding. Vaststaat dat appellant en [K.] in de te beoordelen periode hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning. Uit de vermelde feiten en omstandigheden blijkt dat van een zakelijke woningdelersrelatie geen sprake is. De feiten en omstandigheden duiden op een, in een zakelijke relatie ongebruikelijke verbondenheid en op een mate van verantwoordelijkheid voor elkaar die de grenzen van een zakelijke relatie overschrijden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/63 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage van 26 november 2009, 09/7321 en 09/7322 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek (dagelijks bestuur)

Datum uitspraak: 23 mei 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.H.R. Bruggeman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 februari 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door

mr. Bruggeman. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.F.H. Molema.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving sinds 9 oktober 2008 bijstand naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 20% ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 20 april 2009 heeft het college de toeslag beperkt tot 10% van het minimumloon op de grond dat appellant een deel van de noodzakelijke kosten van bestaan kan delen met iemand anders. Daarbij heeft het college meegedeeld dat dit een voorlopige wijziging is totdat het onderzoek naar de leefsituatie van appellant is afgerond. Immers, omdat appellant samen met J.M. [K.] ([K.]) een huurovereenkomst heeft getekend, moet het college vaststellen of appellant en [K.] een gezamenlijke huishouding voeren. In verband hiermee heeft het college appellant verzocht een aantal schriftelijke bewijzen over te leggen vóór 8 mei 2009.

1.2. Het college heeft zoals in het besluit van 20 april 2009 was aangekondigd het onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende uitkering doen voortzetten. In dit kader hebben fraudepreventiemedewerkers informatie ingewonnen bij de verhuurder, overgelegde documenten bestudeerd, appellant gehoord en een huisbezoek afgelegd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in de rapportage van 9 juni 2009. Samengevat stelt de rapportage dat appellant en [K.] een gezamenlijke huishouding voeren.

1.3. Op grond van de rapportage heeft het dagelijks bestuur bij besluit van 8 juni 2009 de bijstand van appellant met ingang van 8 mei 2009 ingetrokken.

1.4. Bij besluit van 20 augustus 2009 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar tegen het besluit van

8 juni 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank (rechtbank) het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij voert aan dat geen sprake was van wederzijdse zorg tussen hem en [K.].

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Zoals de rechtbank terecht heeft vastgesteld in de aangevallen uitspraak dient hier beoordeeld te worden de periode van 8 mei 2009 tot en met 8 juni 2009 (te beoordelen periode).

4.2. Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB, voor zover hier van belang, wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert. Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.3. Vaststaat dat appellant en [K.] in de te beoordelen periode hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning.

4.4. Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Die kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars verzorging voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan.

4.5. Tijdens het onder 1.2 genoemde onderzoek heeft het college onbetwist vastgesteld dat appellant, die zelf geen bankrekening had, in de te beoordelen periode contant geld gaf aan [K.] die daarmee de ziektekosten voor appellant betaalde. Voorts heeft appellant verklaard dat hij soms de boodschappen doet, maar dat [K.] dat nu doet, omdat appellant geen geld heeft. Verder is gebleken dat appellant via de rekening van zijn dochter steeds wisselende bedragen overmaakt naar [K.] voor de woonlasten en de vaste lasten. Ter zitting heeft appellant verklaard dat in die wisselende bedragen ook bedragen zaten van een schuld die appellant had aan [K.]. Tevens hebben de wisselende bedragen te maken met de ruimte die appellant heeft om aan [K.] geld terug te geven.

4.6. Uit de in rechtsoverweging 4.5 vermelde feiten en omstandigheden blijkt dat van een zakelijke woningdelersrelatie geen sprake is. Die feiten en omstandigheden duiden op een, in een zakelijke relatie ongebruikelijke verbondenheid en op een mate van verantwoordelijkheid voor elkaar die de grenzen van een zakelijke relatie overschrijden. Naar het oordeel van de Raad is daarom voldaan aan beide criteria van artikel 3, derde lid, van de WWB, zodat appellant en [K.] op grond van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de WWB als gehuwden dienen te worden aangemerkt. Dit betekent dat appellant op en na 8 mei 2009 niet als zelfstandig subject van bijstand recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Het feit dat appellant, zoals hij ter zitting heeft verklaard, niet met [K.] samenwoonde omdat ze beiden heel andere levens leiden, maakt dat niet anders omdat bij de beoordeling van de vraag of van een gezamenlijke huishouding sprake is, de tussen de betrokkenen bestaande relatie, hun subjectieve gevoelens daaromtrent en het motief voor het voeren van de gezamenlijke huishouding buiten beschouwing moeten blijven.

4.7. Uit hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2012.

(get.) O.L.H.W.I. Korte.

(get.) N.M. van Gorkum.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

HD