Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW7533

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-06-2012
Datum publicatie
06-06-2012
Zaaknummer
11/1414 AOW + 11/1384 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening AOW-pensioen naar een gehuwdenpensioen en terugvordering. Gezamenlijke huishouding. De onderzoeksgegevens bieden een toereikende grondslag voor de conclusie van de Svb dat appellanten in de hier van belang zijnde periode hun gezamenlijk hoofdverblijf hebben gehad in de woning aan het adres van appellant. De enkele stelling van appellant dat sprake was van een gezamenlijk complot van zijn huursters met de eigenaar van de woning om hem uit de woning te verdrijven kan niet slagen nu deze niet nader is onderbouwd. Verder is gebleken dat appellanten zich naar de buitenwereld toe regelmatig hebben gepresenteerd als echtpaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/1414 AOW

11/1384 AOW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 januari 2011, 09/5950 en 09/5956 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats] (appellanten)

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak 5 juni 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.Chr. Peteri, advocaat, hoger beroep ingesteld en namens appellante heeft mr. J. Heek hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2012. Appellanten zijn, zoals vooraf bericht, niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sturmans.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten zijn van 1975 tot 2002 met elkaar gehuwd geweest dan wel een geregistreerd partnerschap aangegaan. Uit het huwelijk is [in] 1975 een kind geboren. Appellante ontving sinds 1 juli 2004 een ongehuwdenpensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). Appellant ontving sinds 1 december 2005 een ongehuwdenpensioen ingevolge de AOW.

1.2. Naar aanleiding van een anonieme telefonische melding, inhoudende dat appellanten op het adres van appellant aan de [adres 1] te [woonplaats] samenwonen, heeft de sociale recherche van de Svb een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende AOW-pensioenen. In dat kader is onder meer dossieronderzoek gedaan en zijn diverse getuigen gehoord. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een proces-verbaal van 10 april 2009. Op grond hiervan heeft de Svb geconcludeerd dat appellanten vanaf de aanvang van de toekenning van de AOW-pensioenen een gezamenlijke huishouding voeren.

1.3. Bij besluit van 6 april 2009 is het AOW-pensioen van appellant met ingang van 1 december 2005 herzien naar het gehuwdenpensioen. Bij besluit van 6 mei 2009 is het AOW-pensioen van appellante met ingang van 1 juli 2004 herzien naar het gehuwdenpensioen. Aan deze besluiten ligt ten grondslag dat appellanten vanaf de aanvang van de toekenning van de AOW-pensioenen een gezamenlijke huishouding voeren. Bij besluit van 1 februari 2010 is het teveel betaalde AOW-pensioen tot een bedrag van € 12.639,57 van appellant teruggevorderd. Bij besluit van eveneens 1 februari 2010 is het teveel betaalde AOW-pensioen tot een bedrag van € 17.821,20 van appellante teruggevorderd.

1.4. Bij afzonderlijke besluiten van 13 november 2009 (bestreden besluiten) zijn, voor zover van belang, de bezwaren tegen de besluiten van 6 april 2009 en 6 mei 2009 ongegrond verklaard. Bij afzonderlijke besluiten van 19 april 2010 zijn de bezwaren van appellanten tegen de besluiten van 1 februari 2010 ongegrond verklaard. Tegen de besluiten van 19 april 2010 hebben appellanten geen beroep ingesteld, zodat deze besluiten rechtens onaantastbaar zijn geworden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Het verrichte onderzoek biedt volgens appellanten onvoldoende grondslag voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding. Er is ten onrechte voorbij gegaan aan de betwisting van de getuigenverklaringen. De voormalige huursters van appellant en de eigenaar van deze woning hadden een gezamenlijk belang om appellant zo spoedig mogelijk uit de woning te krijgen. Appellante had haar hoofdverblijf aan de [adres 2] bis te [woonplaats] en betaalde alle kosten van deze woning.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Aangezien vaststaat dat uit het huwelijk van appellanten een kind is geboren, geldt ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de AOW voor het onweerlegbare rechtsvermoeden dat sprake is van een gezamenlijke huishouding indien komt vast te staan dat appellanten hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben gehad. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 8 december 2009, LJN BK8320, is het onweerlegbare rechtsvermoeden van toepassing ongeacht de leeftijd van het betreffende kind.

4.2. De vraag waar iemand zijn hoofdverblijf heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Uit de gedingstukken blijkt dat appellanten ten tijde van belang stonden ingeschreven op verschillende adressen. Aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning kan evenwel ook zijn voldaan indien, ondanks het aanhouden van afzonderlijke woonruimte, toch een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken.

4.3. De onderzoeksgegevens, zoals neergelegd in het proces-verbaal van 10 april 2009, bieden een toereikende grondslag voor de conclusie van de Svb dat appellanten in de hier van belang zijnde periode hun gezamenlijk hoofdverblijf hebben gehad in de woning aan het adres van appellant. Dit blijkt uit de verklaringen van de diverse getuigen afgelegd in het kader van de buurtonderzoeken bij zowel het adres van appellant als het adres van appellante.

De verklaringen van de getuigen[Z.] ([Z.]), [S.] en [A.], die allen van appellant woonruimte in de woning aan de [adres 1] hebben gehuurd, zijn gedetailleerd en in overeenstemming met elkaar. De verklaring van [Z.] ziet daarbij op de volledige in geding zijnde periode nu zij sinds 1989 aan de [adres 1] heeft gewoond en daar ook nog woonde toen appellanten in januari 2009 naar de [adres 3] zijn verhuisd. Allen hebben verklaard dat appellante daar woonde, er regelmatig post voor haar kwam en zij appellanten regelmatig op de gemeenschappelijke trap tegenkwamen. Indien er problemen waren werden in de woning van appellanten gesprekken gevoerd. Daarnaast waren in de gehele woning, waaronder in de door hen gehuurde ruimtes, schilderijen van appellante aanwezig. De door getuige [S.] die van 1998 tot begin 2004 woonruimte in de woning van appellant heeft gehuurd, afgelegde verklaring ziet weliswaar op de periode voorafgaand aan de datum met ingang waarvan de AOW-pensioenen zijn toegekend, maar nu ook hij heeft aangegeven dat appellanten zowel voor als na hun echtscheiding onveranderd samenwoonden is deze verklaring terecht als ondersteunend bewijs meegenomen. De enkele stelling van appellant dat sprake was van een gezamenlijk complot van zijn huursters met de eigenaar van de woning om hem uit de woning te verdrijven kan niet slagen nu deze niet nader is onderbouwd.

4.4. Ook de verklaringen van de getuigen in de omgeving van het adres aan de [adres 2] zijn, voor zover deze betrekking hebben op de periode vanaf juli 2004, met elkaar in overeenstemming. Door allen is verklaard dat appellante daar niet woonde maar slechts zo nu en dan, in gezelschap van appellant, naar de woning kwam en dan na korte tijd weer vertrok. Aan het standpunt van appellanten dat het gas-, water- en elektriciteitsverbruik in de woning aan [adres 2] normaal was, kan niet dat gewicht worden toegekend dat appellanten daaraan gehecht willen zien nu uit diverse getuigenverklaringen is gebleken dat deze woning regelmatig door anderen werd gebruikt. Daarnaast is door de woningbouwvereniging niet erkend dat appellante haar hoofdverblijf had [adres 2], maar is een poging om de huurovereenkomst met appellante te beëindigen door de woningbouwvereniging niet doorgezet.

4.5. Verder is gebleken dat appellanten zich naar de buitenwereld toe regelmatig hebben gepresenteerd als echtpaar door middel van een gezamenlijke ondertekening van e-mailberichten aan de eigenaar van de woningen aan de [adres 1] en [adres 3] en de begeleider van de verbouwingen van beide woningen en in de welkomstboodschap van de voicemail van de telefoon van appellant. Dat zij dit slechts hebben gedaan om appellant voor een grotere woning in aanmerking te laten komen is niet aannemelijk gemaakt.

4.6. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat appellanten vanaf de datum van toekenning van de AOW-pensioenen een gezamenlijke huishouding voeren als bedoeld in artikel 1, vijfde lid, van de AOW.

4.7. Uit het voorgaande volgt dat de hoger beroepen van appellanten niet slagen en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.F. Bandringa en W.H. Bel als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2012.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) E. Heemsbergen.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

RB