Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW7526

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-06-2012
Datum publicatie
06-06-2012
Zaaknummer
10-1846 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering overbruggingstoeslag per 1 juli 2009 en toekenning overbruggingstoeslag van € 60,-- per maand met ingang van 1 februari 2010. De door appellante gevraagde bijzondere bijstand ter compensatie voor de gestelde inkomensachteruitgang hangt samen met dan wel vloeit voort uit kosten die ten behoeve van haar meerderjarige inwonende zoon worden gemaakt. Aangezien deze kosten geen betrekking hebben op appellante zelf kan appellante reeds daarom voor deze kosten aan artikel 35, eerste lid, van de WWB geen aanspraak op bijzondere bijstand ontlenen. Als de zoon van appellante kosten heeft als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB kan hij, desgewenst, zelf een aanvraag om bijzondere bijstand indienen. Appellante heeft niet bestreden dat de besluiten in overeenstemming zijn met het door de commissie gehanteerde beleid. Geen strijd met het gelijkheidsbeginsel, Ten aanzien van inwonende kinderen van 18 jaar met en zonder studiefinanciering, is geen sprake strijd met het gelijkheidsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2012/116
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1846 WWB

11/1006 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda van 12 februari 2010, 09/5539 en 09/5540 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Breda (commissie)

Datum uitspraak 5 juni 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. drs. C.G. Matze, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De commissie heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2012. Namens appellante is

mr. drs. Matze verschenen. De commissie heeft zich, zoals tevoren bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante ontving bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder, verhoogd met de toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de WWB (gemeentelijke toeslag) van 20%. Op 7 juni 2009 is haar inwonende zoon 18 jaar geworden. In verband daarmee heeft de commissie bij besluit van 16 juli 2009 de bijstand van appellante met ingang van 1 juli 2009 herzien naar de norm voor een alleenstaande en de gemeentelijke toeslag verlaagd naar 10%. Daarbij is tevens bepaald dat appellante niet in aanmerking komt voor de zogeheten overbruggingstoeslag. Aan dat besluit ligt ten grondslag dat de zoon van appellante met ingang van 1 juli 2009 een studiebeurs ingevolge de Wet op de studiefinanciering 2000 (WSF 2000) en inkomsten uit arbeid ontvangt, die tezamen € 473,97 per maand bedragen. Gelet op de hoogte van het inkomen van haar zoon wordt appellante geacht de kosten van bestaan met haar zoon te kunnen delen waardoor zij recht heeft op een toeslag van niet meer dan 10%. Vanwege het gezamenlijke inkomen van appellante en haar zoon komt zij niet in aanmerking voor de overbruggingstoeslag. Bij besluit van 17 december 2009 (bestreden besluit 1) heeft de commissie het bezwaar tegen het besluit van 16 juli 2008 ongegrond verklaard

1.2. Naar aanleiding van een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda van 28 augustus 2009 heeft de commissie bij besluit van 16 september 2009 aan appellante met ingang van 1 juli 2009 alsnog de gemeentelijke toeslag van 20% toegekend en tevens een overbruggingstoeslag. Daarbij is bepaald dat dit besluit geldt totdat op het bezwaarschrift is beslist.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep voor zover dat ziet op de wijziging van de bijstand van appellante per 1 juli 2009 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep dat ziet op de overbruggingstoeslag ongegrond. Daartoe heeft de voorzieningenrechter overwogen dat appellante geen belang meer heeft bij de beoordeling van haar stelling dat de studiefinanciering van haar zoon voor wat betreft de gemeentelijke toeslag buiten beschouwing moet worden gelaten. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 11 augustus 2009, LJN BJ5297, heeft de voorzieningenrechter overwogen dat de overbruggingstoeslag een vorm van bijzondere bijstand is, die gebaseerd is op gemeentelijk beleid. Dit onderdeel van het beleid moet als buitenwettelijk begunstigend beleid worden gekwalificeerd en het bestreden besluit 1 is daarmee in overeenstemming.

3. Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante is van mening dat de studiebeurs van haar zoon buiten aanmerking moet worden gelaten omdat dit een lening is die uitsluitend bestemd is voor de kosten van de studie en die er niet toe strekt om in de kosten van levensonderhoud te voorzien. Voorts heeft appellante beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Aangezien een inwonend kind van 18 jaar dat niet studeert geen geld hoeft te lenen om het inkomen van zijn moeder aan te vullen tot de norm van gehuwden dient dat ook te gelden voor de zoon van appellante. Het bedrag dat haar zoon leent om zijn studie te bekostigen dient derhalve bij de berekening van het gezamenlijke inkomen buiten aanmerking te blijven. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellante - desgevraagd - verklaard dat het hoger beroep zich niet richt tegen de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep niet-ontvankelijk is verklaard.

4. Bij besluit van 26 februari 2010, voor zover hier van belang, heeft de commissie aan appellant met ingang van 1 februari 2010 een overbruggingstoeslag toegekend van € 60,-- per maand, die per 1 november 2011 zal worden verlaagd tot € 30,-- per maand en uiterlijk per 1 juli 2012 zal worden beëindigd. Bij besluit van 15 juli 2010 (bestreden besluit 2) heeft de commissie het bezwaar tegen het besluit van 26 februari 2010 ongegrond verklaard.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Op uitdrukkelijk verzoek van appellante zal de Raad, mede met het oog op de finale beslechting van het geschil tussen partijen, het bestreden besluit 2 bij zijn beoordeling betrekken en uitspraak doen over de weigering van de overbruggingstoeslag per 1 juli 2009 en de toegekende overbruggingstoeslag van € 60,-- per maand met ingang van 1 februari 2010.

5.2. Artikel 35, eerste lid, van de WWB bepaalt dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn.

5.3. Zoals de Raad eerder heeft overwogen, waaronder in zijn uitspraak van 11 augustus 2009, LJN BJ5297, kan het met de normwijziging samenhangende verschil in inkomen op zichzelf geen grond voor toekenning van bijzondere bijstand vormen. Volgens de systematiek van de WWB is met ingang van de datum dat het (laatste) ten laste van de alleenstaande ouder komende inwonend kind de leeftijd van 18 jaar bereikt voor de toepassing van de WWB geen sprake meer van een eenoudergezin maar van twee zelfstandige rechtssubjecten. Vanaf dat moment komt de voormalige alleenstaande ouder nog slechts voor extra bijstand boven de norm voor een alleenstaande in aanmerking indien en voor zover aan de toepassingsvoorwaarden voor artikel 35, eerste lid, van de WWB is voldaan.

5.4. De door appellante gevraagde bijzondere bijstand ter compensatie voor de gestelde inkomensachteruitgang hangt samen met dan wel vloeit voort uit kosten die ten behoeve van haar meerderjarige inwonende zoon worden gemaakt. Aangezien deze kosten geen betrekking hebben op appellante zelf kan appellante reeds daarom voor deze kosten aan artikel 35, eerste lid, van de WWB geen aanspraak op bijzondere bijstand ontlenen. Als de zoon van appellante kosten heeft als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de WWB kan hij, desgewenst, zelf een aanvraag om bijzondere bijstand indienen. Dat appellante jegens haar zoon nog onderhoudsplichtig is in de zin van het Burgerlijk Wetboek maakt dit niet anders. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat overigens nog sprake zou zijn van kosten van haar zelf die voor bijzondere bijstand ingevolge artikel 35, eerste lid, van de WWB in aanmerking komen.

5.5. De commissie heeft beoordeeld of ingevolge artikel 6 van de door haar opgestelde Beleidsregels bijzondere bijstand (Beleidsregels) inzake bijstandsverlening aan voormalig alleenstaande ouders aanleiding bestaat voor bijzondere bijstandsverlening. Op grond van die bepaling wordt een overbruggingstoeslag verleend ter grootte van het verschil tussen het bijstandsbedrag dat in vergelijkbare omstandigheden voor een echtpaar zou gelden en de som van het gezamenlijk inkomen van de alleenstaande en het betreffende kind. Voor de bepaling van de inkomsten van dat kind wordt het bedrag van inkomsten volgens de WSF 2000 vastgesteld overeenkomstig artikel 33 van de WWB.

5.6. Artikel 6 van Beleidsregels dient te worden gekwalificeerd als buitenwettelijk begunstigend beleid voor zover met toepassing daarvan een overbruggingstoeslag wordt verleend in andere gevallen of tot een hoger bedrag dan met toepassing van artikel 35 van de WWB mogelijk is. Daarbij wordt aangetekend dat artikel 35, eerste lid, van de WWB een gebonden (en dus geen discretionaire) bevoegdheid van het bestuursorgaan inhoudt. Naar vaste rechtspraak van de Raad, waaronder zijn uitspraak van 2 maart 2010, LJN BL6167, betekent een en ander dat de aanwezigheid en de toepassing van dit buitenwettelijke beleid als een gegeven wordt aanvaard met dien verstande dat wordt getoetst of het beleid op consistente wijze wordt toegepast. Appellante heeft niet bestreden dat de bestreden besluiten 1 en 2 in overeenstemming zijn met het door de commissie gehanteerde beleid.

5.7. Het beroep van appellante op het gelijkheidsbeginsel kan niet slagen. Anders dan appellante meent is de studiebeurs op grond van WSF 2000 niet uitsluitend bestemd om kosten van de studie te dekken, maar dient deze, zoals blijkt uit artikel 3.2 van de WSF 2000 (oud), thans artikel 3.18 van de WSF 2000, mede om te voorzien in de kosten van levensonderhoud. Tevens is van belang dat de basisbeurs en vanaf het tweede studiejaar de aanvullende beurs de vorm hebben van een voorwaardelijke lening, die wordt omgezet in een gift als binnen tien jaar na aanvang van de opleiding deze met succes wordt afgerond. Derhalve staat ten tijde van de studie in de regel niet vast of de basisbeurs en de aanvullende beurs (vanaf het tweede studiejaar) niet zullen worden omgezet in een gift. Bovendien is, zoals de Raad eerder heeft overwogen, waaronder in zijn uitspraak van 11 mei 2010, LJN BM4124, de verplichting tot aflossing van een studieschuld in het kader van de WSF 2000 mede afhankelijk van de draagkracht. Dit betekent dat niet op voorhand vaststaat dat een studieschuld daadwerkelijk (geheel) moet worden terugbetaald. Om die reden is voor de toepassing van de WWB niet bepalend of een studiebeurs op grond van de WSF 2000 wordt verstrekt in de vorm van een gift dan wel in de vorm van een lening. Ten slotte kan nog worden gewezen op artikel 33, tweede lid, van de WWB, voor zover hier van belang, waarin is bepaald dat het inkomen uit studiefinanciering op grond van de WSF 2000 in aanmerking wordt genomen naar het van toepassing zijnde normbedrag voor de kosten van levensonderhoud, genoemd in artikel 3.18 van de WSF 2000.

5.8. Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt en dat het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond moet worden verklaard.

6. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 15 juli 2010 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.F. Bandringa en W.H. Bel als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2012.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) E. Heemsbergen.

HD