Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW7524

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-05-2012
Datum publicatie
05-06-2012
Zaaknummer
11-3249 BBZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Buiten behandelingstelling aanvraag Bbz. Appellant heeft niet alle door het college gevraagde gegevens aangeleverd. Aanvraag niet aanmerken als aanvraag algemene bijstand. De WWB brengt immers andere verplichtingen met zich en kent een andere vermogenstoets dan het Bbz 2004.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2012/1434
ABkort 2012/221
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/3249 BBZ

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 april 2011, 11/1010 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak: 23 mei 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.J.G. Tijhuis, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 29 februari 2012, waar partijen niet zijn verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Appellant heeft op 7 september 2010 een uitkering op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004

(Bbz 2004) aangevraagd ter voorziening in de kosten van levensonderhoud. Een medewerker van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) heeft op 7 september 2010 het aanvraagformulier aan appellant uitgereikt en hem in de gelegenheid gesteld ontbrekende stukken te overleggen en hem daartoe een termijn gesteld. Op 21 september 2010 is appellant weer bij de DWI geweest voor een gesprek. Het aanvraagformulier en de bijbehorende bewijsstukken waren niet compleet. Tijdens dat gesprek is aan appellant onder meer een voorbeeld van een doorstartplan meegegeven, waarbij hem opnieuw een termijn is gesteld voor de completering van zijn aanvraag.

1.3. Appellant is op 11 oktober 2010 nogmaals bij de DWI geweest. Bij brief van 11 oktober 2010 is appellant tot

25 oktober 2010 in de gelegenheid gesteld ontbrekende stukken te overleggen. In de brief wordt een opsomming gegeven van de nog benodigde stukken. Daarbij is vermeld dat, indien appellant de gegevens niet of niet volledig verstrekt, het college de aanvraag niet verder zal behandelen. Appellant heeft niet gereageerd op deze brief.

1.4. Bij besluit van 29 oktober 2010 heeft het college de aanvraag van appellant met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld op de grond dat appellant niet alle gevraagde gegevens heeft overgelegd.

1.5. Op 25 november 2010 heeft appellant alsnog een aantal stukken overgelegd. Bij brief van 26 november 2010 heeft de DWI deze stukken aangemerkt als een aanvraag om bijstand op grond van het Bbz 2004. Bij die brief is appellant tot

10 december 2010 in de gelegenheid gesteld ontbrekende gegevens te overleggen. Daarbij heeft het college opnieuw meegedeeld, dat indien niet alle benodigde gegevens aanwezig zijn, de aanvraag niet in behandeling kan worden genomen. Appellant heeft op 15 december 2010 enkele stukken overgelegd.

1.6. Bij besluit van 16 december 2010 heeft het college de aanvraag van appellant van 25 november 2010 met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb buiten behandeling gesteld op de grond dat appellant niet alle gegevens heeft overgelegd.

1.7. Bij besluit van 10 januari 2011 heeft het college het bezwaar tegen de besluiten van 29 oktober 2010 en 16 december 2010 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 10 januari 2011 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat hij ten aanzien van een enkel stuk wel degelijk gemotiveerd heeft aangegeven waarom hij deze niet kon leveren. Verder heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het betoog van appellant dat zijn aanvraag had moeten worden opgevat als aanvraag om algemene bijstand, buiten de omvang van het geding valt. Ten slotte is de rechtbank ten onrechte voorbij gegaan aan het beroep van appellant op de inherente afwijkingsbevoegdheid van het college op grond van artikel 4:84 van de Awb om hem met ingang van de eerste aanvraag algemene bijstand toe te kennen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling is van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag sprake indien onvoldoende gegevens of bescheiden zijn verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

4.2. Vast staat dat appellant niet alle door het college gevraagde gegevens heeft aangeleverd. Niet in geschil is dat het gaat om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag op grond van het Bbz 2004 noodzakelijk zijn. De omstandigheid dat appellant ten aanzien van het ontbreken van enkele stukken in bezwaar wel een toelichting heeft gegeven maakt dat niet anders. Hij heeft immers niet gesteld dat hem geen verwijt kan worden gemaakt van het ontbreken van een aantal andere stukken, waaronder het gevraagde doorstartplan.

4.3. Appellant heeft bijstand aangevraagd op grond van het Bbz 2004 ter voorziening in de kosten van levensonderhoud. In bezwaar heeft hij verzocht zijn aanvragen ook op te vatten als aanvragen om algemene bijstand. Hij betoogt thans dat zijn aanvragen ook zo behandeld moeten worden, en wel met als ingangsdatum die van de eerste aanvraag. Het college heeft bij brief van 22 februari 2012 verwezen naar de uitspraak van de Raad van 5 december 2007, LJN BB9342. Appellant heeft zich verzet tegen deze verwijzing, nu die niet binnen de in artikel 8:58, eerste lid, van de Awb genoemde termijn van tien dagen voor de zitting is ingediend. Dat deze verwijzing binnen deze termijn is gedaan, vormt echter geen aanleiding om die buiten beschouwing te laten. Het gaat hier immers niet om de indiening van een stuk, maar om een verwijzing naar rechtspraak van de Raad. Een verwijzing naar gepubliceerde rechtspraak met datum en vindplaats daarvan ter onderbouwing van een reeds ingenomen standpunt kan immers ook bij gelegenheid van de behandeling ter zitting geschieden. Van strijd met de goede procesorde kan evenmin worden gesproken.

4.4. Het college heeft onder verwijzing naar de onder 4.3 genoemde uitspraak van de Raad terecht opgemerkt dat het hier gaat om een wezenlijk andere uitkering dan bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). De WWB brengt immers andere verplichtingen met zich en kent een andere vermogenstoets dan het Bbz 2004. Bovendien wordt bijstand in beginsel slechts op aanvraag toegekend. Het college was daarom niet gehouden om de aanvragen op een andere grondslag te beoordelen dan op grond waarvan die zijn ingediend. De vraag of het college met toepassing van artikel 4:84 van de Awb algemene bijstand had moeten verlenen met ingang van een eerdere datum dan het verzoek daartoe in bezwaar behoeft daarom geen bespreking meer.

4.5. Uit hetgeen onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep van appellant niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2012.

(get.) O.L.H.W.I. Korte.

(get.) N.M. van Gorkum.

HD