Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW7522

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
05-06-2012
Datum publicatie
06-06-2012
Zaaknummer
09-4180 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het College heeft appellantes bijstandsuitkering bij wijze van maatregel eenmalig met € 200,- verlaagd, omdat appellante, door zonder toestemming niet langer de aangeboden taalcursus te volgen, onvoldoende heeft meegewerkt aan een voorziening die haar ihkv de WWB is aangeboden.

Raad: Het is niet aan de belanghebbende maar aan het college om te bepalen welke re-integratievoorziening voor de belanghebbende is aangewezen om het uiteindelijk beoogde doel (arbeidsinschakeling) te bereiken (CRvB 26 april 2011, LJN: BQ3331). Wel is vereist dat het college maatwerk levert en de voorziening het resultaat is van een zorgvuldige, op de persoon toegesneden, afweging.

De DWI heeft zich bij het aanbieden van de voorziening gebaseerd op de resultaten van het assessment bij het BIA. Op grond van deze gegevens is geconcludeerd dat de aangeboden taalcursus passend was en dat appellante niet over een zodanig taalniveau beschikte dat zij de door haar gewenste taallessen kon gaan volgen bij de HvA. Uit de gedingstukken blijkt echter niet dat de DWI heeft onderzocht of het assessment nog bepalend kon zijn voor het taalniveau van appellante vijf maanden later en of de taalkennis van appellante op dat moment een beletsel vormde voor het volgen van taallessen bij de HvA. Appellante heeft steeds gesteld dat het niveau van de aangeboden taalcursus te laag voor haar was en dat zij een intensievere cursus wilde volgen teneinde zich de kennis van de Nederlandse taal sneller en beter eigen te kunnen maken. Appellante is daarbij gesteund door V., docente Nederlands aan het Montessori College Oost te Amsterdam, die in haar e-mailberichten aan de DWI eind maart 2008 voor een intensievere taalcursus voor appellante heeft gepleit en te kennen heeft gegeven het raar te vinden dat een achttienjarig meisje alleen maar dit aangeboden krijgt, terwijl ze graag door wil en een goede vooropleiding heeft. De vaststelling van het college dat het taalniveau van appellante te laag was om de taalcursus bij het HvA te kunnen volgen, is bovendien onjuist gebleken, nu appellante bij de HvA is aangenomen, op 7 april 2008 met de taalcursus bij de HvA is begonnen en de cursus met een diploma heeft afgesloten.

Derhalve heeft het college bij het aanbieden van de voorziening niet het vereiste maatwerk geleverd, zodat appellante, nadat zij bij de HvA was aangenomen en daar met de taalcursus was begonnen, niet kon worden verplicht nog langer gebruik te maken van de aangeboden voorziening. Dit betekent dat er voor het opleggen van een maatregel geen grond was.

Vernietiging aangevallen uitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2012/187
JWWB 2012/119
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/4180 WWB

09/5485 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank van Amsterdam 23 juni 2009, 08/4460 en 08/4476 (aangevallen uitspraak),

in de gedingen tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak: 5 juni 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.A. Bouwman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juni 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Bouwman en vergezeld door M. Erbek als tolk. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. J.M. Boegborn.

De Raad heeft het onderzoek heropend, omdat het niet volledig is geweest.

Het college heeft desgevraagd nadere stukken ingediend en vragen beantwoord. Appellante heeft hierop schriftelijk gereageerd.

Vervolgens hebben partijen toestemming gegeven zonder nadere zitting uitspraak te doen en heeft de Raad het onderzoek gesloten.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante, geboren [in] 1989, is, nadat zij in Turkije haar middelbare school met een diploma had afgerond, in het kader van gezinshereniging vanuit Turkije naar Nederland gekomen. Zij is gaan wonen bij haar ouders en haar twee zusjes in Amsterdam. Zij ontving sinds 23 oktober 2007 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande jonger dan 21 jaar. Op 17 oktober 2007 heeft appellante bij het Bureau Inburgering Amsterdam (BIA) een assessment afgelegd om haar niveau van de Nederlandse taal vast te stellen. Met de klantmanager jongeren is een trajectplan ‘sociale activering’ opgesteld, gericht op het leren van de Nederlandse taal. Op basis van het assessment van het BIA heeft het college haar een taalcursus aangeboden bij Startpunt Inburgering en Educatie Amsterdam in een buurthuis gedurende negen uur per week (aangeboden taalcursus). Aan de door appellante geuite wens om een meer intensieve taalcursus te volgen bij de Hogeschool van Amsterdam (HvA) (zelf gekozen taalcursus), is geen gehoor gegeven. Appellante is op 17 maart 2008 met de aangeboden taalcursus begonnen. Haar is in verband daarmee per 1 maart 2008 een forfaitaire onkostenvergoeding van € 31,83 per maand toegekend. Per 7 april 2008 is appellante gestopt met de aangeboden taalcursus en voor eigen rekening gestart met de zelf gekozen taalcursus.

1.2. Bij besluit van 10 juni 2008, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 3 oktober 2008 (bestreden besluit I), heeft het college de bijstand van appellante bij wijze van maatregel eenmalig met € 200,-- verlaagd op de grond dat appellante, door zonder toestemming niet langer de aangeboden taalcursus te volgen, onvoldoende heeft meegewerkt aan een voorziening die haar in het kader van de WWB is aangeboden.

1.3. Bij besluit van 18 juni 2008, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 3 oktober 2008 (bestreden besluit II), heeft het college de toegekende forfaitaire onkostenvergoeding met ingang van 1 juni 2008 beëindigd omdat appellante onvoldoende heeft meegewerkt aan de aangeboden voorziening.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen over proceskosten en griffierecht, het beroep tegen het bestreden besluit I gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Hiertoe heeft de rechtbank, samengevat, geoordeeld dat het college in redelijkheid een eenmalige maatregel heeft kunnen opleggen, maar dat niet blijkt dat een individuele belangenafweging heeft plaatsgevonden over de vraag of een matiging van het af te stemmen bedrag in het geval van appellante op zijn plaats was. Het beroep tegen het bestreden besluit II is ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Volgens haar volgde zij de opleiding die voor haar geschikt was, zodat geen sprake was van materiële wederrechtelijkheid, haar niets viel te verwijten en geen reden bestond haar een maatregel op te leggen. De onkostenvergoeding is ten onrechte ingetrokken, omdat zij haar opleiding ergens anders heeft voortgezet. Het college dient ook de reiskosten voor dat traject te voldoen.

4. Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft het college bij besluit van 30 september 2009 (bestreden besluit III), met toekenning van een vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten, het bezwaar tegen het besluit van 10 juni 2008 gedeeltelijk gegrond verklaard. De eenmalige verlaging van de bijstand wordt beperkt tot € 75,--, omdat appellante haar diploma heeft behaald en de indruk heeft gegeven dat zij haar uiterste best doet om de Nederlandse taal zo snel mogelijk te beheersen.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Het bestreden besluit III zal met toepassing van de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede in de beoordeling worden betrokken.

5.2. Niet is in geschil dat appellante zonder toestemming van het college haar deelname aan de door het college aangeboden taalcursus heeft beëindigd. Het betreft een voorziening die, zoals blijkt uit de gedingstukken, in het bijzonder het Trajectplan, is aangeboden in het kader van de WWB.

5.3. Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB, zoals dit luidde ten tijde van belang, is de belanghebbende van 18 jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar verplicht gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. Artikel 18, tweede lid, van de WWB bepaalt, voor zover van belang, dat het college de bijstand verlaagt overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, indien de belanghebbende de uit de wet voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt. Van een verlaging wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. In artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van de door de gemeenteraad van Amsterdam vastgestelde Afstemmingsverordening WWB, voor zover van belang, is bepaald dat de bijstand eenmalig met € 200,-- wordt verlaagd wanneer de belanghebbende naar het oordeel van het college ernstig is tekortgeschoten in het meewerken aan een voorziening die in het kader van de WWB is aangeboden.

5.4. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 26 april 2011, LJN BQ3331) is het niet aan de belanghebbende maar aan het college om te bepalen welke re-integratievoorziening voor de belanghebbende is aangewezen om het uiteindelijk beoogde doel (arbeidsinschakeling) te bereiken. Wel is vereist dat het college maatwerk levert en de voorziening het resultaat is van een zorgvuldige, op de persoon toegesneden, afweging.

5.5. De DWI heeft zich bij het aanbieden van de voorziening met ingang van 17 maart 2008 gebaseerd op de resultaten van het assessment bij het BIA op 17 oktober 2007. Op grond van deze gegevens is geconcludeerd dat de aangeboden taalcursus passend was en dat appellante niet over een zodanig taalniveau beschikte dat zij de door haar gewenste taallessen kon gaan volgen bij de HvA. Uit de gedingstukken blijkt echter niet dat de DWI heeft onderzocht of het assessment nog bepalend kon zijn voor het taalniveau van appellante vijf maanden later en of de taalkennis van appellante op dat moment een beletsel vormde voor het volgen van taallessen bij de HvA. Appellante heeft steeds gesteld dat het niveau van de aangeboden taalcursus te laag voor haar was en dat zij een intensievere cursus wilde volgen teneinde zich de kennis van de Nederlandse taal sneller en beter eigen te kunnen maken. Appellante is daarbij gesteund door [V.], docente Nederlands aan het Montessori College Oost te Amsterdam, die in haar e-mailberichten aan de DWI eind maart 2008 voor een intensievere taalcursus voor appellante heeft gepleit en te kennen heeft gegeven het raar te vinden dat een achttienjarig meisje alleen maar dit aangeboden krijgt, terwijl ze graag door wil en een goede vooropleiding heeft. De vaststelling van het college dat het taalniveau van appellante te laag was om de taalcursus bij het HvA te kunnen volgen, is bovendien onjuist gebleken, nu appellante bij de HvA is aangenomen, op 7 april 2008 met de taalcursus bij de HvA is begonnen en de cursus met een diploma heeft afgesloten.

5.6. Gelet op de onder 5.5 genoemde omstandigheden heeft het college bij het aanbieden van de voorziening niet het vereiste maatwerk geleverd, zodat appellante, nadat zij bij de HvA was aangenomen en daar met de taalcursus was begonnen, niet kon worden verplicht nog langer gebruik te maken van de aangeboden voorziening. Dit betekent dat er voor het opleggen van een maatregel geen grond was.

5.7. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak moet daarom worden vernietigd voor zover het college is opgedragen opnieuw te beslissen op het bezwaar tegen het besluit van 10 juni 2008. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad zelf in de zaak voorzien, het besluit van 10 juni 2008 herroepen en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit I. Het voorgaande brengt tevens mee dat aan het bestreden besluit III de grondslag komt te ontvallen. De Raad zal het bestreden besluit III vernietigen, behalve de beslissing over de kosten in bezwaar.

5.8. Het hoger beroep tegen het bestreden besluit II slaagt niet. Het college verleent onder bepaalde voorwaarden een forfaitaire onkostenvergoeding voor deelname aan een aangeboden voorziening. Nu vaststaat dat appellante ten tijde van belang niet langer gebruik maakte van de aangeboden voorziening, had zij geen recht meer op de forfaitaire onkostenvergoeding.

6. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand en € 7,50 voor de reiskosten van appellante voor het bijwonen van de zitting van de Raad.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover het college is opgedragen opnieuw te

beslissen op het bezwaar tegen het besluit van 10 juni 2008;

- herroept het besluit van 10 juni 2008 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt

van het besluit van 3 oktober 2008;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

- vernietigt het besluit van 30 september 2009, behalve de beslissing over de kosten in

bezwaar;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 651,50,

waarvan € 644,-- te betalen aan de griffier van de Raad en € 7,50 aan appellante;

- bepaalt dat het college aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 110,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en J.N.A. Bootsma en E.J.M. Heijs als leden, in tegenwoordigheid van J. van Dam als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2012.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) J. van Dam.

HD