Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW7515

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-05-2012
Datum publicatie
05-06-2012
Zaaknummer
10-7015 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering bijzondere bijstand voor de kosten van bewassing en kosten in bezwaar. Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. Het belang van E. Bodbijl of van de Stichting Advisering en Bewindvoering vormt geen procesbelang van appellanten. Overigens brengt E. Bodbijl, zij het achteraf en op basis van “no cure no pay”, bij haar cliënten en ook bij appellanten kosten in rekening voor de door hem verleende rechtsbijstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/7015 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de erven van [betrokkene], die laatstelijk gewoond heeft te [woonplaats] (appellanten),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 november 2010, 10/1546 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[betrokkene] (betrokkene)

en

het college van burgemeester en wethouders van Lansingerland (college)

Datum uitspraak: 23 mei 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens betrokkene heeft E. Bodbijl, werkzaam bij Stichting Advisering en Bewindvoering te Berkel en Rodenrijs (Stichting), hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en bericht dat betrokkene op 31 augustus 2011 is overleden.

Mevrouw E. Bodbijl heeft bericht dat de Stichting die belast is met de verzorging van de nalatenschap, de procedure voortzet. Het college heeft hierop een reactie gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in het geding met reg.nr. 10/7009 WWB, plaatsgevonden op

29 februari 2012. Voor appellanten is verschenen M.M. Bodbijl, kantoorgenoot van E. Bodbijl. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door R.M.A. Desain en mr. G.A. Tuhuteru. Na de zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 26 januari 2010 heeft het college de aanvraag om bijzondere bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) voor de kosten van bewassing afgewezen.

1.2. Bij besluit van 21 april 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 26 januari 2010 ongegrond verklaard en het verzoek om vergoeding van de kosten van de bezwaarprocedure afgewezen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Betrokkene heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij betoogt - samengevat - dat hij recht heeft op de gevraagde bijzondere bijstand. Het college heeft aangevoerd dat procesbelang ontbreekt.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB, 31 augustus 2006, LJN AY8271 en CRvB, 1 juni 2010, LJN BM7208), is eerst sprake van voldoende procesbelang indien het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van beroep of hoger beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van voldoende procesbelang.

4.2. Namens appellanten is uitdrukkelijk verklaard dat zij geen rechtstreeks belang hebben bij voortzetting van de hoger beroepszaak aangezien de verwachting is dat de nalatenschap een positief saldo zal hebben. Ter zitting is nog opgemerkt dat ook indien alsnog bijzondere bijstand zou worden toegekend en daardoor een nabetaling zou volgen, deze nabetaling in de nalatenschap terecht komt. Voor appellanten maakt het geen verschil of deze zaak gewonnen of verloren zal worden. Daarom is niet in te zien welk resultaat, dat voor appellanten ook feitelijk betekenis heeft, zij met de onderhavige procedure thans nog kunnen bereiken. Zij hebben dus geen procesbelang in hoger beroep.

4.3. Het belang van E. Bodbijl of van de Stichting vormt geen procesbelang van appellanten. Overigens brengt E. Bodbijl, zij het achteraf en op basis van “no cure no pay”, bij haar cliënten en ook bij appellanten kosten in rekening voor de door hem verleende rechtsbijstand.

4.4. Uit hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.3 vloeit voort dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2012.

(get.) O.L.H.W.I. Korte.

(get.) N.M. van Gorkum.

HD