Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW7464

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-05-2012
Datum publicatie
05-06-2012
Zaaknummer
10-4414 MAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering toewijzing geambieerde functie. Nadeelcompensatie. Appellant voldoet niet aan de functie-eis van ervaring en dus ook niet aan de factor van bekwaam- en geschiktheid, zodat hij bij een ordentelijk verloop van de sollicitatieprocedure niet voor de geambieerde functie in aanmerking zou zijn gebracht. De commandant was dus bevoegd de geambieerde functie niet aan appellant toe te wijzen. Niet is gebleken dat de commandant in dat kader in strijd heeft gehandeld met enig algemeen rechtsbeginsel. Dit staat eraan in de weg dat appellant met vrucht aanspraak kan maken op compensatie van het nadeel dat hij heeft ondervonden doordat de geambieerde functie niet aan hem is toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4414 MAW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 23 juni 2010, 09/1448 en 09/4684 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Commandant Landstrijdkrachten (commandant)

Datum uitspraak: 31 mei 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.M. van Breet hoger beroep ingesteld.

De commandant heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 19 april 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Breet. De commandant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.M. Rentema-Westerhof en mr. C.J. Knol.

OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant, toen majoor bij de Koninklijke landmacht, werd per september 2007 de functie toegewezen van STOFF TAR KCEN DIVI. Dit is een functie op het functiegebied van Inlichtingen en Veiligheid (I en V) en is gelegen op het niveau van zijn rang.

1.2. In augustus 2008 heeft appellant verzocht hem de vacante functie van STOFF VUST OTCOpn toe te wijzen waaraan de rang van luitenant-kolonel verbonden is (geambieerde functie). Blijkens de functiebeschrijving is voor die functie onder meer een ruime ervaring in het vakgebied Vuursteun vereist.

1.3. Bij besluit van 16 oktober 2008 heeft de commandant aan appellant bericht dat de geambieerde functie niet aan hem wordt toegewezen. Overwogen is dat appellant niet beschikbaar is gesteld voor deze functie omdat hij na een eerdere sollicitatie in september 2008 is aangeboden voor een functie bij de Militaire Inlichtingen en Veiligheidsdienst (MIVD).

1.4. Bij besluit van 10 februari 2009 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen het besluit van 16 oktober 2008 ongegrond verklaard. Overwogen is - kort samengevat - dat de sollicitatie van appellant naar de geambieerde functie inhoudelijk in behandeling had moet worden genomen; dat, nu de geambieerde functie inmiddels aan een ander is toegewezen, de sollicitatie van appellant niet alsnog in behandeling genomen kan worden; dat daarom is nagegaan of appellant door deze gang van zaken nadeel heeft ondervonden dat voor compensatie in aanmerking gebracht moet worden; dat daarvoor geen redenen bestaan, omdat uit inlichtingen is gebleken dat appellant in vergelijking met de wel geselecteerde kandidaat aanzienlijk minder ervaring bij het wapen van de artillerie heeft opgedaan en dat het daarom niet waarschijnlijk is dat de geambieerde functie bij inhoudelijke behandeling van de sollicitatie van appellant aan hem zou zijn toegewezen.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak - voor zover zij in hoger beroep is aangevochten - het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen ervan in stand blijven. Zij heeft hiertoe eerst vastgesteld dat de commandant bij het verweerschrift de materiële grondslag van het bestreden besluit heeft verlaten, omdat hem was gebleken dat de geambieerde functie ten tijde van het bestreden besluit nog niet was vervuld. Het bestreden besluit is dus niet draagkrachtig gemotiveerd, reden om het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen. De rechtbank heeft verder, ter beantwoording van de vraag of de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand gelaten kunnen worden, de in het verweerschrift ingenomen stelling van de commandant gevolgd dat er geen reden is tot compensatie over te gaan, omdat appellant geen recente ervaring heeft op het vakgebied van Vuursteun zoals verwoord in een onderdeel van de functiebeschrijving.

3. Het hoger beroep van appellant richt zich tegen de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand zijn gelaten. In dit kader betwist appellant alleen het oordeel van de rechtbank over zijn gestelde aanspraak op compensatie wegens nadeel ten gevolge van de onjuiste gang van zaken bij zijn sollicitatie naar de geambieerde functie. Hiertoe heeft appellant erop gewezen dat in de functiebeschrijving van de geambieerde functie niet is opgenomen dat voldaan moet worden aan de eis van “recente” ervaring op het gebied van Vuursteun, maar dat “ruime” ervaring op dat vakgebied vereist is. Gezien zijn loopbaan bij het wapen van de artillerie voldoet appellant aan dat vereiste. De geambieerde functie had aan hem moeten worden toegewezen en, nu dit niet is gebeurd, kan hem compensatie voor het geleden nadeel niet worden onthouden, aldus appellant. Deze zou moeten strekken tot maart 2011, sinds welke datum appellant een functie is toegewezen bij de MIVD die op het niveau van luitenant-kolonel ligt en hij naar die rang is bevorderd.

De commandant heeft bepleit dat de Raad de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten bevestigt.

4. Naar aanleiding van de standpunten van partijen in hoger beroep komt de Raad tot de volgende beoordeling.

4.1. In artikel 20, eerste lid, aanhef en onder e, van het Algemeen militair ambtenarenreglement is bepaald dat bij het nemen van een besluit tot functietoewijzing met een aantal factoren rekening wordt gehouden. Een van deze factoren is de bekwaamheid en geschiktheid van de militair voor de functie.

4.2. De geambieerde functie is opgenomen in de organisatie van het Opleidings- en Trainingscentrum Operatiën van het Opleidings- en Trainingscommando. Deze functie is, zoals blijkt uit de functiebeschrijving, in hoge mate gericht op het verzamelen, het vastleggen en verspreiden van kennis betreffende de doctrine voor landoptreden op het functiegebied van vuursteun.

4.3. In die functiebeschrijving is in de rubriek functie-eisen onder “specifiek” enkel sprake van “ruime ervaring” in het vakgebied vuursteun en niet (ook) van “recente ervaring”. Gegeven het onder 4.1 genoemde voorschrift is de Raad van oordeel dat de commandant de functie-eis “ervaring” zo mocht opvatten en uitleggen dat de vereiste ervaring en ook vereiste kennis niet alleen een ruime dient te zijn maar ook een recente. Daarbij is zeker van belang dat, zoals de commandant onbetwist heeft aangevoerd, de theorie en de praktijk op het gebied van vuursteun in de afgelopen jaren ingrijpend zijn veranderd. Verder is van belang de plaats, die de geambieerde functie binnen de organisatie, een opleidings- en trainingscentrum, inneemt, en haar aard, die op een hoog niveau van kennis gericht is.

4.4. De Raad stelt vast dat appellant tot ongeveer het jaar 2000 functies heeft vervuld en cursussen heeft gevolgd die aan de artillerie gerelateerd waren. Vervolgens is hij overgegaan naar het functiegebied van I en V, op welk gebied hij achtereenvolgens drie functies heeft vervuld, waarbij de toewijzing van de laatste functie uiterlijk strekte tot september 2010. Gezien deze feiten heeft de commandant kunnen aannemen dat appellant niet voldoet aan de voor de geambieerde functie gestelde functie-eis van ruime en recente (kennis en) ervaring en dus niet bekwaam of geschikt was om die functie te vervullen.

4.5. De Raad volgt het standpunt van de commandant dat appellant niet voldoet aan de functie-eis van ervaring en dus ook niet aan de factor van bekwaam- en geschiktheid, zodat hij bij een ordentelijk verloop van de sollicitatieprocedure niet voor de geambieerde functie in aanmerking zou zijn gebracht. De commandant was dus bevoegd de geambieerde functie niet aan appellant toe te wijzen. De Raad is niet gebleken dat de commandant in dat kader in strijd heeft gehandeld met enig algemeen rechtsbeginsel.

4.6. Dit staat eraan in de weg dat appellant met vrucht aanspraak kan maken op compensatie van het nadeel dat hij heeft ondervonden doordat de geambieerde functie niet aan hem is toegewezen.

5. Op grond van het voorgaande is de Raad van oordeel dat het hoger beroep geen doel treft. De aangevallen uitspraak moet, voor zover zij is aangevochten, worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.G. Treffers en J. Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

31 mei 2012.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) J.M. Tason Avila.

HD