Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW7454

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-06-2012
Datum publicatie
08-06-2012
Zaaknummer
11-1349 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De stichting heeft appellante het voornemen kenbaar gemaakt haar te ontslaan, nu zij en haar echtgenoot niet binnen de door de stichting gestelde termijn informatie over de school en de personeelsleden van de blogspot van haar echtgenoot heeft verwijderd.

Raad: De stichting heeft op goede gronden geoordeeld dat de inhoud van de blogspot, waarin de school en daar werkzame personen op herkenbare en negatieve wijze worden beschreven, waarbij aan deze personen verdraaide uitlatingen worden toegeschreven en waarbij uiterlijke kenmerken, houding en gedrag van deze personen in het belachelijke worden getrokken, getuigt van een gebrek aan loyaliteit aan de medewerkers en de school, de goede naam van de school schaadt en bovendien een onveilige sfeer creëert voor directie en docenten. De stichting heeft terecht in de ontvangen klachtbrieven aanleiding gezien om op te treden tegen degenen die voor de inhoud van de blogspot verantwoordelijk waren. Dat er mogelijk ook collega’s waren die, zoals appellante heeft gesteld, de blogspot wel waardeerden - waarvoor de gedingstukken overigens geen concrete aanwijzingen bevatten - kan niet afdoen aan het belang van corrigerend optreden ter bescherming van een goed functioneren van de school.

Het beroep dat door appellante is gedaan op de vrijheid van meningsuiting van haar echtgenoot faalt, nu het hier uitingen betreft waarvan haar echtgenoot zich, gelet op art. 125a van de AW, behoorde te onthouden. De uitingen vormden immers een ontoelaatbare aantasting van het goede functioneren van de school en deden afbreuk aan een goede functievervulling van de echtgenoot.

Wat betreft de betrokkenheid van appellante stelt de Raad vast dat uit de inhoud van de blogspot blijkt dat de echtgenoot heeft geput uit de verhalen die appellante hem over school heeft verteld. In zoverre kan zij mede verantwoordelijk worden gehouden voor de inhoud van de blogspot. De Raad wil nog wel aannemen dat de echtgenoot van appellante, zoals zij heeft verklaard, dermate eigenwijs is dat hij toch niet zou zijn ingegaan op een verzoek van appellante om de gewraakte uitingen van de blogspot te verwijderen. Maar dan kan het appellante in elk geval wel worden aangerekend dat zij, ook nadat haar was gebleken dat collega’s zich geraakt voelden, op geen enkele wijze afstand heeft genomen van de inhoud van de blogspot, dat zij naar aanleiding van de reacties geen spijt heeft betuigd of zelfs maar begrip heeft getoond, en dat zij evenmin bereidheid heeft getoond voortaan niet meer bij te dragen aan de totstandkoming van verhalen in de gewraakte trant. Dat aldus van appellante, met het oog op een herstel van de verstoorde verhoudingen, een opstelling werd gevergd die mogelijk als een gebrek aan echtelijke loyaliteit kon worden uitgelegd, is een omstandigheid die voor haar rekening moet blijven. Zij kan zich dus niet op overmacht beroepen. Ook kan appellante zich er niet op beroepen dat de stichting geen poging zou hebben gedaan om tot herstel van de verstoorde verhoudingen te komen, nu het op de weg van appellante zelf lag om een betekenisvolle eerste stap te zetten.

Gelet op de compromisloze opstelling van appellante staat ook voor de Raad vast dat sprake was van onherstelbaar verstoorde verhoudingen, niet alleen op schoolniveau, maar ook op bestuursniveau. Ook bij plaatsing in een andere functie binnen de onderwijsgroep - daargelaten dat daartoe praktisch niet de mogelijkheid bestond - zou immers een zodanig risico bestaan op vergelijkbare onrust rondom appellante, dat herplaatsing niet van de stichting kon worden gevergd.

Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2012/1437
TAR 2012/169
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/1349 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 januari 2011, 10/1456 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Stichting Onderwijsgroep [naam stichting] (stichting)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De stichting heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. K. ten Broek. De stichting heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.A. Geerdink, advocaat, en door [A.B. en C.van D.].

OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante was sinds 2002 als leerkracht in dienst bij de stichting. Zij had een vaste aanstelling en werkte op praktijkschool [naam praktijkschool] in [plaats]. Ook haar echtgenoot was hier werkzaam. In 2005 heeft appellante van de stichting een schriftelijke waarschuwing gekregen betreffende haar omgang op school met haar echtgenoot en betreffende respectloos taalgebruik over leerlingen in het bijzijn van ouders en leerlingen. Begin 2008 is op school onrust ontstaan nadat bekend geworden was dat de echtgenoot van appellante op een internet-blogspot verhalen publiceerde onder de titel “[titel]”. Een aantal collega’s heeft aangegeven dat zij zichzelf of collega’s in de gebruikte bijnamen en de verhalen herkennen, dat de verhalen een verdraaide voorstelling van zaken geven en dat zij het vertrouwen in appellante en haar echtgenoot kwijt zijn of zich niet meer veilig voelen.

1.2. De stichting heeft appellante en haar echtgenoot aangesproken en hun een termijn gesteld om de informatie over de school en personeelsleden van de blogspot te verwijderen. Nadat hieraan niet binnen de gestelde termijn was voldaan heeft de stichting op 17 januari 2008 het voornemen kenbaar gemaakt appellante - het ontslag van de echtgenoot is in dit geding niet aan de orde - te ontslaan. Bij besluit van 28 februari 2008 heeft de stichting appellante per 1 maart 2008 ontslagen, primair wegens plichtsverzuim, subsidiair wegens gewichtige redenen, gelegen in verstoorde arbeidsverhoudingen. Bij besluit van 9 januari 2009 heeft de stichting de bezwaren van appellante tegen het besluit van 28 februari 2008 ongegrond verklaard.

1.3. De rechtbank heeft bij haar uitspraak van 25 januari 2010, 09/1837, voor zover hier van belang, geoordeeld dat de primaire ontslaggrond - plichtsverzuim - geen stand houdt. Daartoe heeft zij overwogen dat appellante - zeker gezien de aard van de uitlatingen en gezien het feit dat zij onderdeel uitmaakte van hetzelfde team van leerkrachten - zich weliswaar in enige mate van de uitlatingen van haar echtgenoot had kunnen distantiëren, maar de rechtbank acht de weigering van appellante om dit te doen onvoldoende om dit nalaten als plichtsverzuim te kwalificeren. Ten aanzien van de subsidiaire ontslaggrond heeft de rechtbank overwogen dat voldoende is gebleken dat met betrekking tot appellante binnen de school sprake was van verstoorde arbeidsverhoudingen. De stichting heeft er echter in het besluit van 9 januari 2009 onvoldoende blijk van gegeven dat de mogelijkheid tot herplaatsing van appellante elders binnen het gezagsbereik van de stichting is onderzocht. Daarom heeft de rechtbank dat besluit op grond van een ondeugdelijke motivering vernietigd en de stichting opdracht gegeven een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank. Partijen hebben in deze uitspraak berust.

2. Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 25 januari 2010 heeft de stichting op 5 maart 2010 een nieuwe beslissing op bezwaar (bestreden besluit) genomen, waarbij het besluit om appellante wegens gewichtige redenen bestaande uit een verstoorde arbeidsrelatie met ingang van 1 maart 2008 te ontslaan, is gehandhaafd. Daartoe heeft de stichting overwogen dat voldoende is gebleken van verstoorde arbeidsverhoudingen zowel op schoolniveau als op bestuursniveau. Bovendien waren er ten tijde van het ontslag, rekening houdend met opleiding en ervaring van appellante, geen mogelijkheden haar te herplaatsen binnen de onderwijsgroep [naam stichting].

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij overwogen dat in de onherroepelijk geworden uitspraak van 25 januari 2010 reeds is vastgesteld dat met betrekking tot appellante binnen de school sprake was van verstoorde arbeidsverhoudingen. De resterende vraag, of deze arbeidsverhoudingen zodanig verstoord waren, dat ze niet meer te herstellen waren en ontslag de enige nog overgebleven optie was, heeft de rechtbank bevestigend beantwoord. Daarbij heeft de rechtbank vastgesteld, dat appellante in beroep niet heeft bestreden dat er ten tijde van het ontslag geen mogelijkheden waren voor herplaatsing van appellante binnen de onderwijsgroep [naam stichting], zodat de rechtbank hiervan mag uitgaan.

4. In hoger beroep is uitsluitend de vraag in geding, of inderdaad sprake is van een onherstelbaar verstoorde arbeidsverhouding. Het ontbreken van herplaatsingsmogelijkheden is niet meer in geding.

Appellante heeft in hoger beroep, kort samengevat, gesteld dat zij niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor de blogspot van haar echtgenoot. Nu haar echtgenoot, die als enige beschikte over inloggegevens en wachtwoord, de blogspot niet wenste te verwijderen, lag verwijdering niet in haar macht. Voorts heeft de stichting ten onrechte slechts rekening gehouden met de klachtbrieven van een zevental collega’s, terwijl er ook collega’s waren die de inhoud van de blogspot wel waardeerden. De stichting heeft voorts volgens appellante geen enkele poging gedaan om tot verbetering van de arbeidsverhouding te komen.

De stichting heeft tegen de stellingen van appellante gemotiveerd verweer gevoerd en bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

5. De Raad overweegt als volgt.

5.1. De stichting heeft op goede gronden geoordeeld dat de inhoud van de blogspot, waarin de school en daar werkzame personen op herkenbare en negatieve wijze worden beschreven, waarbij aan deze personen verdraaide uitlatingen worden toegeschreven en waarbij uiterlijke kenmerken, houding en gedrag van deze personen in het belachelijke worden getrokken, getuigt van een gebrek aan loyaliteit aan de medewerkers en de school, de goede naam van de school schaadt en bovendien een onveilige sfeer creëert voor directie en docenten. De stichting heeft terecht in de ontvangen klachtbrieven aanleiding gezien om op te treden tegen degenen die voor de inhoud van de blogspot verantwoordelijk waren. Dat er mogelijk ook collega’s waren die, zoals appellante heeft gesteld, de blogspot wel waardeerden - waarvoor de gedingstukken overigens geen concrete aanwijzingen bevatten - kan niet afdoen aan het belang van corrigerend optreden ter bescherming van een goed functioneren van de school.

5.2. Het beroep dat door appellante is gedaan op de vrijheid van meningsuiting van haar echtgenoot faalt, nu het hier uitingen betreft waarvan haar echtgenoot zich, gelet op artikel 125a van de Ambtenarenwet, behoorde te onthouden. De uitingen vormden immers een ontoelaatbare aantasting van het goede functioneren van de school en deden afbreuk aan een goede functievervulling van de echtgenoot.

5.3. Wat betreft de betrokkenheid van appellante stelt de Raad vast dat uit de inhoud van de blogspot blijkt dat de echtgenoot heeft geput uit de verhalen die appellante hem over school heeft verteld. In zoverre kan zij mede verantwoordelijk worden gehouden voor de inhoud van de blogspot. De Raad wil nog wel aannemen dat de echtgenoot van appellante, zoals zij heeft verklaard, dermate eigenwijs is dat hij toch niet zou zijn ingegaan op een verzoek van appellante om de gewraakte uitingen van de blogspot te verwijderen. Maar dan kan het appellante in elk geval wel worden aangerekend dat zij, ook nadat haar was gebleken dat collega’s zich geraakt voelden, op geen enkele wijze afstand heeft genomen van de inhoud van de blogspot, dat zij naar aanleiding van de reacties geen spijt heeft betuigd of zelfs maar begrip heeft getoond, en dat zij evenmin bereidheid heeft getoond voortaan niet meer bij te dragen aan de totstandkoming van verhalen in de gewraakte trant. Dat aldus van appellante, met het oog op een herstel van de verstoorde verhoudingen, een opstelling werd gevergd die mogelijk als een gebrek aan echtelijke loyaliteit kon worden uitgelegd, is een omstandigheid die voor haar rekening moet blijven. Zij kan zich dus niet op overmacht beroepen. Ook kan appellante zich er niet op beroepen dat de stichting geen poging zou hebben gedaan om tot herstel van de verstoorde verhoudingen te komen, nu het op de weg van appellante zelf lag om een betekenisvolle eerste stap te zetten.

5.4. Gelet op de compromisloze opstelling van appellante staat ook voor de Raad vast dat sprake was van onherstelbaar verstoorde verhoudingen, niet alleen op schoolniveau, maar ook op bestuursniveau. Ook bij plaatsing in een andere functie binnen de onderwijsgroep [naam stichting] - daargelaten dat daartoe praktisch niet de mogelijkheid bestond - zou immers een zodanig risico bestaan op vergelijkbare onrust rondom appellante, dat herplaatsing niet van de stichting kon worden gevergd.

5.5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

6. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en R. Kooper en K.J. Kraan, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2012.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) N.M. van Gorkum.

HD

Q