Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW7249

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-06-2012
Datum publicatie
04-06-2012
Zaaknummer
12-751 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen is zorgvuldig geweest. Nu appellant geen medische onderbouwing heeft ingediend die twijfel zou kunnen oproepen aan de juistheid van de vastgestelde beperkingen, is er geen aanleiding tot twijfel aan de FML. Appellant moet in staat worden geacht de aan de theoretische schatting ten grondslag gelegde functies uit te kunnen oefenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/751 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 16 januari 2012, 11/3385 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 1 juni 2012.

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2012. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is op 13 januari 1999 uitgevallen voor zijn werk als procesoperator in verband met psychische klachten. Aan hem is vervolgens per 12 januari 2000 een uitkering toegekend ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

1.2. Appellant heeft zich op 24 november 2008 ziek gemeld bij zijn werkgever. Bij wijzigingsformulier WAO, gedateerd 26 juli 2010, heeft hij bij het Uwv aangegeven dat zijn gezondheidssituatie sinds 24 november 2008 is verslechterd. Hij heeft veel pijn onder in de rug, middenin de rug, in de nek, ellebogen en vingers.

1.3. Bij besluit van 20 januari 2011 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant per 22 november 2010 herzien en de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 35 tot 45%. Het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar is ongegrond verklaard bij beslissing op bezwaar van 9 juni 2011.

1.4. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. Zij heeft hiertoe overwogen dat het medisch onderzoek op een voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat er op grond van de ter beschikking staande medische gegevens moet worden aangenomen dat de verzekeringsartsen niet te geringe medische beperkingen hebben vastgesteld. Voorts heeft de toelichting van de bezwaararbeidsdeskundige de rechtbank voldoende overtuigd dat de voorgehouden functies geschikt zijn te achten voor appellant.

2. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij ontzettend veel pijn heeft en daardoor volledig arbeidsongeschikt is.

3.1. De Raad maakt op uit het hoger beroepschrift van appellant en zijn toelichting ter zitting van de Raad dat het hoger beroep zich richt tegen de medische beoordeling die ten grondslag ligt aan de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid per 22 november 2010 op 35 tot 45%. Appellant is van mening dat hij dermate veel pijn heeft dat hij niet in staat kan worden geacht om werkzaamheden te verrichten op de arbeidsmarkt.

3.2. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen zorgvuldig is geweest. De verzekeringsarts heeft lichamelijk onderzoek verricht en informatie opgevraagd bij de huisarts. Op basis van de via de huisarts verkregen informatie van reumatoloog P. Seys van 10 augustus 2010 heeft de verzekeringsarts (extra) beperkingen aangenomen ten aanzien van de rug- en nekbelasting. De bezwaarverzekeringsarts heeft appellant eveneens lichamelijk onderzocht en gemotiveerd aangegeven dat hij het eens is met de door de verzekeringsarts opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 28 december 2010.

Nu appellant geen medische onderbouwing heeft ingediend die twijfel zou kunnen oproepen aan de juistheid van de vastgestelde beperkingen, ziet de Raad geen aanleiding tot twijfel aan de FML.

3.3. De arbeidsdeskundige heeft de functies van parkeercontroleur (SBC 342022), besteller (expresse) post/pakketten (SBC 282102) en produktiemedewerker (samensteller van producten) (SBC 111180) aan de theoretische schatting ten grondslag gelegd. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat appellant, gelet op zijn belastbaarheid zoals vastgesteld bij de FML en in ogenschouw hebbende genomen de toelichtingen van de arbeidsdeskundige en de bezwaararbeidsdeskundige ten aanzien van de in deze functies voorkomende signaleringen, in staat moet worden geacht deze functies uit te oefenen.

3.4. Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep niet.

3.5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2012.

(get.) J.P.M. Zeijen.

(get.) H.L. Schoor.

EK