Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW7245

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-06-2012
Datum publicatie
04-06-2012
Zaaknummer
11-6640 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WAO-uitkering en weigering Wet WIA-uitkering. Het bestreden besluit berust op een voldoende medische grondslag. De bezwaarverzekeringsarts brengt in haar verslag voldoende gemotiveerd naar voren dat bestudering van rapportages van en overleg met verzekeringsartsen haar niet tot de conclusie hebben kunnen leiden dat er sprake is geweest van een dusdanige verslechtering van het psychiatrisch ziektebeeld dat appellant medisch gezien geen arbeid zou kunnen verrichten dan wel dat er sprake is geweest van een wezenlijke verslechtering van het ziektebeeld ten opzichte van de eerdere WAO-beoordeling in 2005.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/6640 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 oktober 2011, 10/1801 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 1 juni 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. Wolter, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Wolter. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Dijkstra.

OVERWEGINGEN

1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen de beslissing op bezwaar van 29 maart 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Bij dit bestreden besluit heeft het Uwv gehandhaafd zijn weigering om appellant met ingang van 19 december 2007 in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Voorts heeft het Uwv zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat appellant met ingang van 18 november 2009 weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de bezwaararbeidsdeskundige geselecteerde functies. Het Uwv heeft daarom de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 18 november 2009 vastgesteld op minder dan 35% en geweigerd aan hem een uitkering toe te kennen op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

2. De rechtbank heeft vastgesteld dat het bestreden besluit wat betreft het medische gedeelte berust op de rapportages van de verzekeringsarts van 30 november 2009 en van de bezwaarverzekeringsarts van 1 maart 2010 en 14 februari 2011. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor twijfel aan de juistheid van het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts dat de Functionele Mogelijkhedenlijst van 1 maart 2010, waarin de beperkingen van appellant ten aanzien van het verrichten van arbeid zijn opgenomen, van toepassing is op de medische situatie van appellant zowel in november 2007 als in november 2009. Naar het oordeel van de rechtbank is er sprake geweest van een zorgvuldig medisch onderzoek en heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant op goede gronden vastgesteld op minder dan 15% en in verband daarmee terecht de WAO-uitkering met ingang van 19 december 2007 geweigerd. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de geselecteerde functies geschikt zijn voor appellant en dat op goede gronden de mate van arbeidsongeschiktheid op minder dan 35% is vastgesteld en om die reden terecht met ingang van 18 november 2009 een WIA-uitkering is geweigerd.

3. Appellant heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld, voor zover daarbij het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is verklaard. Evenals in beroep heeft appellant aangevoerd dat hij op grond van lichamelijke en psychische problemen niet in staat is arbeid te verrichten. Ter zitting is naar voren gebracht dat bij de medische beoordeling in 2007 onvoldoende rekening is gehouden met de psychische problemen waarmee appellant al in 2005 te kampen heeft gehad.

4.1. De Raad kan zich verenigen met hetgeen in de aangevallen uitspraak is overwogen over de medische grondslag van het bestreden besluit en is van oordeel dat de rechtbank het bestreden besluit terecht in stand heeft gelaten. De Raad voegt daaraan nog het volgende toe.

4.2. De stelling dat er bij de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid van appellant in het kader van de WAO per 19 december 2007 destijds ten onrechte geen rekening is gehouden met psychische klachten waarmee hij ook in 2005 te kampen zou hebben gehad, kan niet worden gevolgd. In dit verband verwijst de Raad naar het rapport van de bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek van 14 februari 2011, waaruit naar voren komt dat bij de beoordelingen na de ziekmelding van appellant op 21 november 2007 ook de gegevens zijn betrokken die ten grondslag hebben gelegen aan de WAO-beoordeling in 2005, waaronder de door de huisarts van appellant verstrekte gegevens. Samengevat, brengt Koek in haar verslag voldoende gemotiveerd naar voren dat bestudering van rapportages van en overleg met verzekeringsartsen haar niet tot de conclusie hebben kunnen leiden dat er sprake is geweest van een dusdanige verslechtering van het psychiatrisch ziektebeeld dat appellant medisch gezien geen arbeid zou kunnen verrichten dan wel dat er sprake is geweest van een wezenlijke verslechtering van het ziektebeeld ten opzichte van de eerdere WAO-beoordeling in 2005.

5. Gelet op het hiervoor overwogene is de Raad van oordeel dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2012.

(get.) J.P.M. Zeijen.

(get.) H.L. Schoor.

NW