Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW7178

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-05-2012
Datum publicatie
31-05-2012
Zaaknummer
11-588 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering terug te komen van een eerder genomen besluit. Er is geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Niet gezegd kan worden dat het Uwv niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/588 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 15 december 2010, 10/3918 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het College van Burgemeester en wethouders van de gemeente Lisse (appellant)

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 25 mei 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft M. Oosterveer, verbonden aan Adviesbureau Modest te Westzaan, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft appellant aan de Raad nadere stukken doen toekomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2012. Voor appellant zijn verschenen M. Oosterveer en [W.]. Het Uwv heeft zich - met voorafgaand bericht - niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluiten van 29 november 2002, 15 januari 2004 en 10 december 2004 zijn ten aanzien van appellant de gedifferentieerde premies ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) voor respectievelijk de jaren 2003, 2004 en 2005 vastgesteld. Tegen deze besluiten heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend, zodat deze in rechte onaantastbaar zijn geworden.

1.2. Bij brief van 23 september 2009 is namens appellant verzocht om kopieën te verstrekken van de onder 1.1 genoemde besluiten en de bijbehorende specificaties van de toegerekende WAO-uitkeringen die betrekking hebben op die besluiten. Bij brief van 23 oktober 2009 heeft het Uwv deze stukken aan appellant doen toekomen.

1.3. Bij brieven van 11 december 2009 heeft appellant het Uwv verzocht om herziening van de gedifferentieerde WAO-premies over de jaren 2003, 2004 en 2005. Daarbij heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat met betrekking tot een drietal (ex-)werknemers de WAO-uitkeringen ten onrechte aan haar zijn toegerekend.

1.4. Bij besluit van 16 februari 2010 heeft het Uwv deze verzoeken niet ingewilligd. Primair op de grond dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of omstandigheden en subsidiair op de grond dat het Uwv niet is kunnen blijken dat de genomen besluiten rechtens onjuist zijn. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 27 april 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het namens appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft - kort gezegd - doen aanvoeren dat zij met betrekking tot haar (ex-)werknemers ten tijde van de oorspronkelijke premiebesluiten niet de beschikking had over volledige en correcte informatie omtrent de toekenning van de WAO-uitkering, zodat zij niet eerder heeft kunnen controleren of de toerekening van de premie correct was. Omdat het Uwv aan haar onvolledige en onjuiste informatie heeft verstrekt is er sprake van een bijzondere situatie die het Uwv ertoe had moeten leiden om tot herziening over te gaan. Daarbij wijst appellant er op dat in vergelijkbare gevallen de evidente onjuistheid het Uwv ertoe heeft geleid de herzieningsverzoeken te honoreren. Daarnaast heeft appellant ter zitting van de Raad naar voren doen brengen dat het Uwv ten onrechte heeft geweigerd met toepassing van artikel 13 van de Coördinatiewet Sociale Verzekeringen (CSV) over te gaan tot hernieuwde vaststelling van de gedifferentieerde premie over premiejaar 2003.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad overweegt in de eerste plaats dat de pas ter zitting namens appellant naar voren gebrachte grief inzake artikel 13 van de CSV, als tardief valt aan te merken, met als gevolg dat de beginselen van een goede procesorde zich verzetten tegen beoordeling daarvan. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat appellant deze grief in een eerder stadium in de onderhavige procedure naar voren had kunnen brengen en daarbij dat het Uwv niet ter zitting is verschenen en derhalve niet in de gelegenheid is geweest om op deze grief te reageren.

4.2. Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd een verzoek van een belanghebbende om van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen inhoudelijk te behandelen en daarbij de oorspronkelijke beslissing - al dan niet in volle omvang - te heroverwegen. Bewoordingen en strekking van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staan daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere beslissing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. De bestuursrechter dient dan ook het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt te nemen en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

4.3. Zoals in het herzieningsverzoek gemotiveerd is uiteengezet en in bezwaar en (hoger) beroep nader is toegelicht, is appellant van mening dat de eerder genomen premiebesluiten onjuist zijn. Evenals de rechtbank stelt de Raad vast dat de in dat verband door appellant genoemde feiten en omstandigheden, welke met name de toerekening van arbeidsongeschiktheidslasten aan appellant betreffen, in een procedure tegen de oorspronkelijke besluiten naar voren gebracht hadden kunnen worden. Bij de oorspronkelijke besluiten bevonden zich immers reeds de, bij brief van 23 september 2009 namens appellant opgevraagde, bijbehorende specificaties van de aan appellant toegerekende WAO-uitkeringen. Appellant had dus toentertijd de juistheid van die gegevens kunnen verifiëren en in bezwaar kunnen gaan indien deze gegevens naar haar mening niet juist waren. Er is dan ook geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.

4.4. Gegeven het feit dat er geen nova zijn aangevoerd, rijst vervolgens de vraag of gezegd moet worden dat het Uwv niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

4.5. Voor zover appellant met haar stelling dat het Uwv in voorkomende gevallen de oorspronkelijk genomen besluiten (wel) evident onjuist heeft geacht en daarin aanleiding heeft gevonden om gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid om die besluiten te herzien, heeft beoogd te stellen dat sprake is van ongelijke behandeling van gelijke gevallen, overweegt de Raad dat appellant die stelling niet concreet aan de hand van stukken heeft onderbouwd. Het beroep van appellant op het gelijkheidsbeginsel kan reeds hierom niet slagen. Ook overigens kan niet worden gezegd dat het Uwv niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

5. Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.5 is overwogen vloeit voort dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten acht de Raad geen termen aanwezig.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2012.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) G.J. van Gendt.

EK