Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW7166

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-05-2012
Datum publicatie
31-05-2012
Zaaknummer
11-4363 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overschrijding redelijke termijn. Drie jaar en bijna negen maanden. Overschrijding heeft in zijn geheel in de rechterlijke fase plaatsgevonden. Geen bijzondere omstandigheden dat van een hoger basisbedrag moet worden uitgegaan. De Staat wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 2.000,–.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/4363 BESLU

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)

de Staat der Nederlanden, de Minister van Veiligheid en Justitie (Staat)

Datum uitspraak 25 mei 2012.

PROCESVERLOOP

Verzoekster heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 januari 2009, 08/1058, in het geding tussen verzoekster en de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb).

Bij uitspraak van 5 augustus 2011, LJN BR4248, heeft de Raad beslist op dit hoger beroep. Daarbij heeft de Raad, voor zover hier van belang, bepaald dat het onderzoek onder het in de aanhef van deze uitspraak genoemde nummer wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van verzoekster om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Namens de Staat heeft drs. B.E.J. Klein Schiphorst bij brief van 22 november 2011 een uiteenzetting gegeven.

Bij brief van 15 december 2011 heeft verzoekster hierop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2012. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar echtgenoot [naam echtgenoot]. De Staat is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1. In zijn uitspraak van 5 augustus 2011 heeft de Raad, voor zover van belang, vastgesteld dat van een te lange behandelingsduur in bezwaar geen sprake is. Wel sprak de Raad het vermoeden uit dat de behandelingsduur in de rechterlijke fase ten tijde van die uitspraak was overschreden. Deze overschrijding was van dien aard dat de daaruit voortvloeiende schade niet (geheel) leek te zijn gecompenseerd door de door de rechtbank toegekende schadevergoeding.

1.2. De Staat is van mening dat slechts de vraag aan de orde is of de separate procedure bij de Raad over de schadevergoeding te lang heeft geduurd. Omdat deze procedure, naar de mening van de Staat, te lang heeft geduurd, acht de Staat een vergoeding van € 500,– aangewezen.

1.3. Verzoekster meent dat de Staat de procedure onjuist benoemt, nu het betreft een verzoek om schadevergoeding in de bodemzaak en niet, zoals de Staat stelt, in de schadevergoedingszaak. De totale schadevergoeding zou vastgesteld moeten worden op € 4.500,–. Nu reeds € 2.000,– is betaald, zou het restant van € 2.500,– door de Staat vergoed moeten worden. Verzoekster meent echter dat in dit geding haar belangen ruim bovengemiddeld zijn, waardoor een hogere vergoeding dan het basisbedrag gerechtvaardigd is. Ter zitting is dit namens haar nader gepreciseerd in die zin dat zij een vergoeding van

€ 1.000,– per (gedeelte van) een half jaar overschrijding vordert. Daarnaast meent verzoekster dat de Raad voor de rechtspraak niet als gemachtigde van de Staat in de procedure kan optreden.

2. De Raad overweegt als volgt.

2.1 In dit geding is partij, naast verzoekster, de Staat der Nederlanden. Gezien de Regeling van de Minister van Veiligheid en Justitie van 26 januari 2012, nr. 5723477/12, houdende verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan de Raad voor de rechtspraak inzake verzoeken tot schadevergoeding verband houdend met de rechtspraak waarvoor de Staat aansprakelijk kan worden gehouden, Stcrt. 2012, 1933, (en daarvoor de Regeling van de Staatssecretaris van Justitie van 22 april 2009, nr. 5599506/09, Stcrt. 2009 nr. 81) heeft de Staat gekozen voor vertegenwoordiging door de Raad voor de rechtspraak onder andere in gedingen inzake verzoeken tot schadevergoeding verband houdende met de schending van de redelijke termijn. De Raad ziet hiervoor dan ook geen beletselen.

2.2. De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de verzoekster gedurende de gehele rechtsgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van verzoekster, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt.

2.3. In de uitspraak van 5 augustus 2011 heeft de Raad een oordeel gegeven in het geschil tussen verzoekster en de Svb over het mogelijke recht van verzoekster op kinderbijslag. Aan de orde is de vraag of in dit geschil de redelijke termijn is overschreden. De Raad kan de Staat dan ook niet volgen in zijn stelling dat dit geding slechts zou betreffen de vraag of de separate procedure over de schadevergoeding te lang heeft geduurd.

2.4. Vanaf de ontvangst door de Svb van het bezwaarschrift van verzoekster op 6 november 2003 tot de uitspraak van de Raad op 5 augustus 2011 heeft de procedure zeven jaar en bijna negen maanden geduurd. De rechtbank heeft het beroepschrift op 2 maart 2004 ontvangen. De uitspraak van de rechtbank van 16 september 2005 is door de Raad, bij uitspraak van 6 september 2007, vernietigd. De rechtbank heeft opnieuw uitspraak gedaan op 30 januari 2009, welke uitspraak door de Raad met de uitspraak van 5 augustus 2011 is bevestigd. Hieruit volgt dat de overschrijding in deze procedure drie jaar en bijna negen maanden bedraagt en dat deze overschrijding in zijn geheel in de rechterlijke fase heeft plaatsgevonden nu de totale rechterlijke fase langer dan drie en een half jaar heeft geduurd. Gezien onder andere de uitspraak van 4 mei 2010, LJN BM4034, ziet de Raad geen aanleiding de termijn die gemoeid is geweest met de behandeling van deze procedure over de schending van de redelijke termijn te betrekken bij de vaststelling van de totale duur van de procedure.

2.5. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009, LJN BH1009, is, in beginsel, een vergoeding gepast van € 500,– per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden. Ter zitting is, ter onderbouwing van haar stelling dat van een hoger basisbedrag moet worden uitgegaan, namens verzoekster uiteengezet dat rekening moet worden gehouden met het aantal betrokkenen bij die overschrijding, waaronder zij verstaat zichzelf en haar twee kinderen. Daarnaast is van belang dat de ontwikkeling van de kinderen, die destijds woonachtig waren in Ghana, in het gedrang kwam door de weigering van de kinderbijslag. In het bijzonder is door verzoekster gesteld dat, door een gebrek aan financiële middelen, de kinderen in Ghana niet de school van hun keuze konden bezoeken. De Raad acht het namens verzoekster aangevoerde te weinig specifiek - zo heeft verzoekster bijvoorbeeld geen inzicht verschaft in het verschil tussen het gewenste en daadwerkelijk gevolgde onderwijs in Ghana en de feitelijke gevolgen daarvan voor de ontwikkeling van haar kinderen - om te kunnen gelden als zodanig bijzondere omstandigheden dat van een hoger basisbedrag moet worden uitgegaan.

2.6. Uit 2.1 tot en met 2.5 volgt dat de totale schadevergoeding € 4.000,– bedraagt. Nu de Staat door de rechtbank al veroordeeld is tot vergoeding van € 2.000,–, zal de Raad de Staat veroordelen tot vergoeding van eveneens € 2.000,–.

3. De Raad ziet ten slotte geen aanleiding de Staat te veroordelen tot vergoeding van proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep veroordeelt de Staat tot betaling aan verzoekster van een schadevergoeding van € 2.000,–.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2012.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) G.J. van Gendt.

JL