Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW7161

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-05-2012
Datum publicatie
31-05-2012
Zaaknummer
10-1985 AOW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om toelating tot vrijwillige verzekering ingevolge de Anw en de AOW.

Raad: Niet in geschil is dat appellant niet voldoet aan de wettelijke voorwaarden voor toelating tot de vrijwillige verzekering. Ter beoordeling staat of sprake is van bijzondere omstandigheden die meebrengen dat de overschrijding van de aanmeldtermijn appellant niet kan worden tegengeworpen.

Tussen partijen staat niet ter discussie dat appellant - nu hij eerst na het besluit van 12 maart 2008 met terugwerkende kracht tot 30 april 1991 een WAO-uitkering heeft ontvangen - (achteraf bezien) vanaf die datum tot 1 januari 2000 als verplicht verzekerd voor de AOW en ANW moet worden aangemerkt.

Appellant heeft eerst na het besluit van 12 maart 2008 ermee bekend kunnen zijn dat hij geacht wordt tot 1 januari 2000 verplicht verzekerd te zijn geweest en dat hij een verzoek om toelating tot de vrijwillige verzekering heeft kunnen indienen.

De Svb heeft gesteld dat appellant terecht de indieningstermijn is tegengeworpen, omdat appellant de Svb niet op de hoogte heeft gesteld van zijn mogelijk nog te realiseren aanspraken ingevolge de WAO.

Deze omstandigheid is evenwel in dit geval niet doorslaggevend. In de uitspraak van de Raad van 19 november 2010, LJN: BO6448 is overwogen dat bij de beoordeling of betrokkene kan worden verweten dat hij zich niet binnen één jaar na 1 januari 2000 voor de vrijwillige verzekering heeft aangemeld niet doorslaggevend is dat de betrokkene geen melding heeft gemaakt van zijn lopende aanvraag. Evenals het geval was in de genoemde uitspraak, bestond er voor appellant geen enkele aanleiding om bij de Svb melding te maken van de lopende procedures over zijn aanspraken ingevolge de WAO. Appellant kan dus niet worden verweten dat hij zich niet binnen één jaar na 1 januari 2000 voor de vrijwillige verzekering heeft aangemeld.

Niet in geschil is dat appellant - anders dan in de uitspraak van 17 april 2008, LJN: BD0036 - in 2008 niet onredelijk lang heeft gewacht met het indienen van zijn verzoek. Gelet daarop moet worden geconcludeerd dat appellant ten onrechte toelating tot de vrijwillige verzekering is geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/1985 AOW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 februari 2010, 09/738 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (Marokko) (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak 25 mei 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 april 2012. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. De Roy van Zuydewijn. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.F. Sturmans.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft voorheen in Nederland gewoond en gewerkt. Appellant is in 1990 uitgevallen vanuit zijn werkzaamheden, waarna hij in 1991 is teruggekeerd naar Marokko. Bezwaar- en beroepsprocedures over de aanspraken van appellant op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), zijn uitgemond in een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen van 12 maart 2008, waarna appellant alsnog een WAO-uitkering heeft ontvangen met terugwerkende kracht tot 30 april 1991. Op 13 oktober 2008 heeft appellant de Svb verzocht om toelating tot de vrijwillige verzekering ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) en de Algemene nabestaandenwet (ANW). Bij besluit van 30 oktober 2008 is dit verzoek afgewezen.

1.2. Het bezwaar tegen dit besluit is bij besluit van 20 januari 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet de aanvraag niet aan de wettelijke voorwaarden voor toelating tot de vrijwillige verzekering. Geen sprake is van een bijzondere omstandigheid op grond waarvan de overschrijding van de wettelijke termijn voor indiening van het verzoek niet verwijtbaar zou zijn. Niet is gebleken dat appellant de Svb op de hoogte heeft gesteld van zijn lopende WAO-procedure. De rechtbank heeft overwogen dat op de Svb geen rechtsplicht rust om personen als appellant van wie de verzekering is geëindigd te wijzen op de mogelijkheid van een vrijwillige verzekering.

3. Appellant heeft het standpunt ingenomen dat hij ten onrechte niet tot de vrijwillige verzekering is toegelaten.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Niet in geschil is dat appellant niet voldoet aan de wettelijke voorwaarden voor toelating tot de vrijwillige verzekering. Ter beoordeling staat of sprake is van bijzondere omstandigheden die meebrengen dat de overschrijding van de aanmeldtermijn appellant niet kan worden tegengeworpen.

4.2. Tussen partijen staat niet ter discussie dat appellant - nu hij eerst na het besluit van 12 maart 2008 met terugwerkende kracht tot 30 april 1991 een WAO-uitkering heeft ontvangen - (achteraf bezien) vanaf die datum tot 1 januari 2000 als verplicht verzekerd voor de AOW en ANW moet worden aangemerkt.

4.3. Appellant heeft eerst na het besluit van 12 maart 2008 ermee bekend kunnen zijn dat hij geacht wordt tot 1 januari 2000 verplicht verzekerd te zijn geweest en dat hij een verzoek om toelating tot de vrijwillige verzekering heeft kunnen indienen.

4.4. De Svb heeft gesteld dat appellant terecht de indieningstermijn is tegengeworpen, omdat appellant de Svb niet op de hoogte heeft gesteld van zijn mogelijk nog te realiseren aanspraken ingevolge de WAO.

4.5. Deze omstandigheid is evenwel in dit geval niet doorslaggevend. In de uitspraak van de Raad van 19 november 2010, LJN BO6448 is overwogen dat bij de beoordeling of betrokkene kan worden verweten dat hij zich niet binnen één jaar na 1 januari 2000 voor de vrijwillige verzekering heeft aangemeld niet doorslaggevend is dat de betrokkene geen melding heeft gemaakt van zijn lopende aanvraag. Evenals het geval was in de genoemde uitspraak, bestond er voor appellant geen enkele aanleiding om bij de Svb melding te maken van de lopende procedures over zijn aanspraken ingevolge de WAO. Appellant kan dus niet worden verweten dat hij zich niet binnen één jaar na 1 januari 2000 voor de vrijwillige verzekering heeft aangemeld.

4.6. Niet in geschil is dat appellant - anders dan in de uitspraak van 17 april 2008, LJN BD0036 - in 2008 niet onredelijk lang heeft gewacht met het indienen van zijn verzoek. Gelet daarop moet worden geconcludeerd dat appellant ten onrechte toelating tot de vrijwillige verzekering is geweigerd.

5. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit - wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) - moeten worden vernietigd. Het beroep wordt gegrond verklaard. Gelet op de omstandigheden van het geval, in het bijzonder de relatie tussen de ingangsdatum van de vrijwillige verzekering en de omvang van de mogelijk alsnog te betalen premie, en hetgeen met partijen ter zitting is besproken, ziet de Raad geen aanleiding zelf tot een finale afdoening van de zaak te komen. De Svb dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

6. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 874,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 874,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.748,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 20 januari 2009;

- bepaalt dat de Svb een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;

- veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.748,-, te betalen door de Svb;

- bepaalt dat de Svb aan appellant het betaalde griffierecht van € 150,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2012.

(get.) T.L. de Vries.

(get.) G.J. van Gendt.

KR