Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW6848

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-05-2012
Datum publicatie
31-05-2012
Zaaknummer
11-5127 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering leenbijstand om te zetten in bijstand om niet. Appellant is de in rechte onaantastbaar geworden aanvullende verplichting niet nagekomen. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat van hem onder de gegeven omstandigheden niet kon worden gevergd dat hij zijn medewerking verleende aan het desbetreffende schuldhulpverleningstraject. Door geen medewerking te verlenen aan de schuldhulpverlening was niet voldaan aan de voorwaarde voor omzetting van de leenbijstand in bijstand om niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/5127 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 22 juli 2011, 11/405 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (college)

Datum uitspraak: 30 mei 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.H.G. Dieteren, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 april 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Dieteren. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A.F. Dekker.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Bij besluit van 13 april 2010 heeft het college op aanvraag aan appellant bijzondere bijstand toegekend voor de kosten verbonden aan de waarborgsom, eerste huur en inrichtingskosten voor de woning [adres 1] te [woonplaats], in totaal tot een bedrag van € 2.260,-- en in de vorm van een geldlening. Aan de bijstand is de aanvullende verplichting verbonden dat appellant volledige medewerking verleent aan het schuldhulpverleningstraject bij het Centraal Loket Schuldhulpverlening Heerlen (CLSH). Daarbij is te kennen gegeven dat bij nakoming van deze verplichting samen met een medewerkster van het CLSH een verzoek kan worden ingediend om de leenbijstand om te zetten in bijstand om niet. Tegen dit besluit is geen bezwaar gemaakt.

1.2. Op 23 september 2010 heeft appellant een intakegesprek gehad bij CLSH en onder meer een toestemmingsverklaring voor gegevensuitwisseling met de ketenpartners getekend. Bij mail van 24 september 2010 heeft appellant deze toestemmingsverklaring weer ingetrokken. Daarop is door consulent Smeets van CLSH bij brief van 24 september 2010 aan appellant meegedeeld dat het schuldhulpverleningstraject wordt beëindigd. Dit bericht is bij brief van 30 september 2010 in vrijwel gelijkluidende bewoordingen herhaald.

1.3. Bij brief van 24 september 2010 heeft appellant, onder mededeling dat hij conform de gemaakte afspraken op 23 september 2010 om 13.45 uur bij CLSH is geweest, aan het college verzocht de leenbijstand om te zetten in bijstand om niet. Bij besluit van 1 oktober 2010 heeft het college dat verzoek afgewezen. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant niet heeft voldaan aan de onder 1.1 vermelde aanvullende verplichting.

1.4. Bij besluit van 28 januari 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 1 oktober 2010 ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat appellant aan een nieuwe uitnodiging door CLSH voor de start van een mogelijk nieuw schuldhulpverleningstraject in januari 2011 geen gehoor heeft gegeven.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De rechtsgeldigheid van het bestreden besluit

4.1. De Raad volgt niet de stelling van appellant dat het bestreden besluit niet rechtsgeldig is omdat het is genomen door de voorzitter van de bezwarencommissie van de gemeente, die tevens procesgemachtigde was bij de rechtbank. Uit de gedingstukken blijkt immers dat het bestreden besluit in mandaat is genomen en ondertekend door het hoofd Juridische Zaken, Rechtsbescherming, Aanbestedingen en Inkoop, mr. P.S.P. Vanderheyden, en dus niet door de fungerend voorzitter van de bezwarencommissie mr. A.F. Dekker. Dat deze laatste betrokken is geweest bij de voorbereiding van dat besluit en kennelijk de beschikking heeft geredigeerd maakt dit niet anders.

De verplichting tot meewerken aan schuldhulpverlening via CLSH

4.2. Het besluit van 13 april 2010, waarin deze aanvullende verplichting als bedoeld in artikel 55 van de WWB is opgenomen, is in rechte onaantastbaar geworden. Dit betekent dat de juistheid van het opleggen van die verplichting niet meer ter discussie kan worden gesteld. Vaststaat dat appellant deze verplichting niet is nagekomen. Appellant heeft immers de aanvankelijk op 23 september 2010 getekende toestemmingsverklaring een dag later weer ingetrokken, zodat geen start is gemaakt met het voor appellant geplande schuldhulpverleningstraject bij CLSH. De enige tijd later geboden gelegenheid om alsnog gebruik te maken van een nieuw schuldhulpverleningstraject bij CLSH heeft appellant om hem moverende redenen wederom van de hand gewezen. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat van hem onder de gegeven omstandigheden niet kon worden gevergd dat hij zijn medewerking verleende aan het desbetreffende schuldhulpverleningstraject. Dat het door CLSH aangeboden traject onvoldoende waarborg zou bieden voor de veiligheid en persoonlijke belangen van appellant heeft hij niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd of anderszins aannemelijk gemaakt.

4.3. Door geen medewerking te verlenen aan de schuldhulpverlening door of via CLSH was niet voldaan aan de voorwaarde voor omzetting van de leenbijstand in bijstand om niet. De Raad onderschrijft dan ook het oordeel van de rechtbank dat het college terecht het besluit om het verzoek om omzetting van leenbijstand in bijstand om niet af te wijzen heeft gehandhaafd.

Het handelen van de voormalig gemachtigde van appellant

4.4. Hetgeen appellant nog heeft aangevoerd over de gestelde handelwijze van zijn voormalig gemachtigde ten aanzien van de contacten met de gemeente en CLSH kan, wat daarvan zij, niet tot een ander oordeel leiden, reeds omdat het handelen en nalaten van een ingeschakelde gemachtigde als regel voor rekening en risico van de betrokkene komt. De Raad ziet geen grond in dit geval van dit uitgangspunt af te wijken.

5. Het voorgaande brengt mee dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van J. van Dam. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 mei 2012.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) J. van Dam.

HD