Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW6831

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-05-2012
Datum publicatie
30-05-2012
Zaaknummer
10/4387 WWB + 10/4388 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Woning in eigendom in Marokko. De schenkingsakte en de door appellanten ingebrachte verklaringen zijn noch op zichzelf, noch in samenhang bezien voldoende om aannemelijk te achten dat de woning in de periode in geding geen bestanddeel vormde van het vermogen van appellanten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4387 WWB

10/4388 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 28 juni 2010, 09/1910 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (college)

Datum uitspraak: 29 mei 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. J. Klaas, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingezonden.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en gereageerd op de nadere stukken van appellanten.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2012. Voor appellanten zijn verschenen mr. Klaas en

[naam zoon], hun zoon. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Dijkman Dulkes-Wan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellanten ontvingen in de periode van 1 juli 1996 tot en met 2 augustus 2005, met onderbrekingen en in aanvulling op een gekorte pensioenuitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet, bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2. In het kader van een nieuwe aanvraag om bijstand hebben appellanten op 11 oktober 2005 opgegeven dat zij een andere woning hebben dan die waarin zij wonen, met een geschatte waarde van € 10.000,--. In de rapportage over deze aanvraag is onder meer vermeld dat appellanten een woning in eigendom hebben in Marokko. Naar aanleiding hiervan heeft het college het Internationaal Bureau Fraude-informatie van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (IBF) gevraagd een onderzoek in te stellen naar het vermogen van appellant in de vorm van onroerend goed in het buitenland. Het Bureau Sociale Zaken van de Nederlandse Ambassade te Marokko (ambassade) heeft dit onderzoek voor het IBF uitgevoerd en daarvan op 29 mei 2007 rapport uitgebracht. Uit dit rapport komt het volgende naar voren. Een medewerker van de ambassade heeft in de plaats [plaatsnaam] gesproken met lokale autoriteiten, die de ligging van de woning van appellant hebben uitgelegd. In het bijzijn van een Moqadem (wijkhoofd) heeft de medewerker aan een aantal omwonenden gevraagd of deze woning het eigendom was van appellant. De omwonenden hebben hierop bevestigend geantwoord. Het desbetreffende onroerend goed staat niet ingeschreven in het kadaster te Oujda. De actuele waarde van het onroerend goed is 408.000 Dirham, wat overeenkomt met € 37.000,--. Bij brief van 5 juli 2007 heeft het IBF, met toezending van het rapport van de ambassade en de onderliggende stukken, aan het college gerapporteerd dat op naam van appellant onroerend goed staat geregistreerd met een waarde van € 37.000,--.

1.3. Naar aanleiding van de onderzoeksbevindingen van de ambassade heeft het college appellanten bij brief van

27 september 2007 verzocht om gegevens van de woning te [plaatsnaam] (woning) te verstrekken. In het bijzonder wordt verzocht een koopakte/bewijs van eigendom of andere bewijsstukken van de woning, waarin de aankoopdatum staat vermeld, over te leggen. In deze brief heeft het college vermeld dat het zonder de gevraagde gegevens niet mogelijk is om vast te stellen of appellanten in de periode van 17 november 2000 tot en met 2 augustus 2005 recht op bijstand hadden en dat het college aan de hand van de verstrekte gegevens zal beoordelen wat de eventuele gevolgen zijn voor de bijstand over die periode.

Bij brief van 2 oktober 2007 hebben appellanten te kennen gegeven dat in Marokko geen papieren voor de woning zijn te verkrijgen en dat zij echt geen papieren hebben. Na een tegen de brief van 27 september 2007 gevoerde bezwaarschriftprocedure, uitmondend in een besluit van 21 oktober 2008, waarbij het bezwaar van appellanten tegen die brief niet-ontvankelijk is verklaard, heeft de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid, afdeling DFA, bureau Fraudebestrijding (dienst) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten in het verleden verleende bijstand. In dat kader heeft de dienst appellanten bij brief van 14 november 2008 - gelijkluidend aan de brief van 27 september 2007 - opnieuw verzocht informatie over de woning te verstrekken. Daarop hebben appellanten bij brief van

26 november 2008 een ongedateerde verklaring van hun zoon [naam zoon] (zoon) toegezonden. Deze verklaring komt erop neer dat de zoon de woning op 14 november 1997 cadeau heeft gekregen van zijn vader en dat de woning sindsdien op naam van de zoon staat. De onderzoeksresultaten van de dienst zijn neergelegd in een rapport van 12 december 2008.

1.4. Bij besluit van 12 december 2008, zoals na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 31 maart 2008 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellanten over de maand november 1997 herzien en vanaf 1 december 1997 ingetrokken en de over de periode van 1 november 1997 tot en met 2 augustus 2005 gemaakte kosten van bijstand van appellanten teruggevorderd tot een bedrag van € 37.575,29. Aan de besluitvorming is, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Appellanten hebben zelf op 11 oktober 2005 opgegeven een woning in Marokko te bezitten. Door van de woning niet eerder melding te maken, hebben appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld, omdat door de schending van de inlichtingenverplichting niet meer kan worden vastgesteld wat de waarde is geweest van de grond en de woning.

2. Appellanten hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij het beroepschrift van 9 april 2009 hebben appellanten een zowel in de Arabische als de Franse taal opgestelde ‘acte de donation’ (schenkingsakte) tussen appellant en de zoon, met als dagtekening 14 november 1997, overgelegd. Beide exemplaren zijn niet van stempels voorzien. Voorts hebben appellanten in beroep onder meer een schriftelijke verklaring van de burgemeester van de stad [naam stad] van

13 mei 2009 ingebracht, inhoudende dat de zoon de woning bewoont. Ter zitting van de rechtbank hebben appellanten een exemplaar van de Franse schenkingsakte voorzien van stempels ingebracht, en een vertaling van deze akte. Naar aanleiding daarvan heeft de rechtbank het onderzoek heropend en het college in de gelegenheid gesteld het IBF onderzoek te laten doen naar de betekenis van de schenkingsakte en naar de feitelijke eigendom van de woning. De ambassade heeft op 22 april 2010 gerapporteerd dat de waarde van de schenkingsakte nihil is. Het betreft een overeenkomst tussen de vader en de zoon die niet bij een rechtbank is ingeschreven, zodat de schenkingsakte geen juridische betrouwbaarheid heeft. De inhoud en de datum van de schenkingsakte kunnen op een later moment zijn opgesteld. De stempels die de schenkingsakte legaliseren hebben uitsluitend betrekking op de legalisatie van de handtekeningen en niet op het document zelf. Voorts heeft de ambassade in de rapportage van 22 april 2010 laten weten dat er geen redenen zijn om het onderzoek naar de eigendom van de woning opnieuw uit te voeren. Appellanten hebben op deze rapportage gereageerd en daarbij nog een verklaring van de voorzitter van de provincie [naam provincie] van 14 mei 2009 overgelegd, inhoudende dat de zoon gebruik maakt van de woning.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

4. Appellanten hebben in hoger beroep, samengevat, het volgende aangevoerd. Zij waren ten tijde in geding geen eigenaar van de woning. Door een misverstand hebben zij de woning in 2005 opgegeven. Aan de schenkingsakte en de verklaringen van de zoon en de burgemeester komt meer betekenis toe dan aan hetgeen enkele omwonenden tegenover een medewerker van de ambassade zouden hebben gezegd. Het college heeft dan ook onvoldoende bewijs voor de onderbouwing van zijn standpunt dat appellanten ten tijde in geding eigenaar waren van een woning. Hierbij wordt nog verwezen naar de in hoger beroep ingebrachte stukken, te weten: een exemplaar van de schenkingsakte, voorzien van een groot aantal stempels, twee verklaringen van in totaal elf buren van de woning, inhoudende dat zij niet de ‘omwonenden’ waren die tegenover een ambassademedewerker hebben verklaard dat de woning van appellant was, en een verklaring van [naam], inhoudende dat de woning toebehoort aan de zoon.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1. Gelet op hetgeen appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd, is tussen partijen uitsluitend in geschil of de woning in de periode van 1 november 1997 tot en met 2 augustus 2005 (periode in geding) al dan niet een bestanddeel vormde van hun vermogen.

5.2. Uit het rapport van de ambassade van 29 mei 2007 blijkt dat de woning niet is ingeschreven in het register van het kadaster van Oujda. Inschrijving in het kadaster van onroerende goederen is in Marokko niet verplicht. Appellanten hebben in het kader van een nieuwe bijstandsaanvraag in oktober 2005 opgegeven dat zij een woning in Marokko hebben. In de schenkingsakte staat dat appellant de woning heeft verkregen door middel van een niet geregistreerde verkoopakte van

5 juni 1976. De zoon van appellant heeft ter zitting van de Raad verklaard dat appellant eigenaar is geweest van de woning. Deze gegevens rechtvaardigen de vooronderstelling dat het onroerend goed in de periode in geding een bestanddeel vormde van het vermogen van appellanten. Het ligt dan op de weg van appellanten aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is.

5.3. Appellanten zijn er niet in geslaagd dit bewijs te leveren. Appellanten hebben gesteld dat appellant de woning op

14 november 1997 cadeau heeft gedaan aan de zoon. Ter onderbouwing daarvan hebben zij aanvankelijk slechts een ongedateerde verklaring van de zoon overgelegd en in beroep de schenkingsakte. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat aan de schenkingsakte niet die betekenis kan worden gehecht die appellanten daaraan toegekend wensen te zien. Zoals ook uit de rapportage van de ambassade van 22 april 2010 naar voren komt, hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt dat de schenkingsakte daadwerkelijk op 14 november 1997 is opgemaakt. Het door appellanten in hoger beroep overgelegde exemplaar van de schenkingsakte met een groot aantal stempels, maakt dat niet anders. Daarnaast kan er niet aan voorbij worden gegaan dat appellanten aanvankelijk kenbaar hebben gemaakt dat er geen papieren van de woning waren en dat zij de schenkingsakte pas hebben overgelegd ruim 2,5 jaar nadat het college voor het eerst had verzocht om, kort gezegd, eigendomsgegevens van de woning. De verklaring die appellanten hiervoor hebben gegeven, te weten dat zij niet het belang van de gevraagde eigendomsgegevens hebben onderkend en dat de schenkingsakte uit Marokko moest komen, overtuigt niet.

5.4. Aan de schriftelijke verklaringen die appellanten in de loop van de procedure hebben ingebracht, komt evenmin die betekenis toe die zij daaraan gehecht willen zien. De schriftelijke verklaring van de zoon is niet onderbouwd met objectieve en verifieerbare gegevens. Zoals volgt uit hetgeen is overwogen in 5.3, kan de - onderhandse - schenkingsakte in ieder geval niet als een dergelijk gegeven worden beschouwd. De in 2 vermelde verklaringen van de burgemeester en de voorzitter van de provincie van respectievelijk 13 mei 2009 en 14 mei 2009 en de in hoger beroep ingebrachte verklaring van de Moqadem zijn reeds daarom niet relevant, omdat deze niet zien op de periode in geding. De verklaringen van elf buren doen niet af aan de in 5.1 verwoorde vooronderstelling en aan de daaruit voortvloeiende bewijslast van appellanten.

5.5. Uit hetgeen is overwogen in 5.3 en 5.4 volgt dat de schenkingsakte en de door appellanten ingebrachte verklaringen noch op zichzelf, noch in samenhang bezien voldoende zijn om aannemelijk te achten dat de woning in de periode in geding geen bestanddeel vormde van het vermogen van appellanten.

5.6. Gelet op het vorenstaande slaagt het hoger beroep niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en W.F. Claessens en E.J. Govaers als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2012.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) R.L.G. Boot.

RB