Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW6823

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-05-2012
Datum publicatie
29-05-2012
Zaaknummer
10-6226 WMO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling van de over 2008 verschuldigde eigen bijdragen WMO. De aard van de bevoegdheid tot vaststelling van de verschuldigdheid en de hoogte van de eigen bijdrage, die is toegekend aan de gemeenteraad, verzet zich niet tegen delegatie aan het college. Factuur. Deze merkt de Raad aan als een besluit tot vaststelling van de eigen bijdragen die verschuldigd zijn in verband met het door het college toegekende pgb voor huishoudelijke zorg. Betrokkene betwist de door het college verstrekte gegevens die ten grondslag liggen aan de berekening van de eigen bijdragen. Nu betrokkene dit niet heeft onderbouwd, is niet aannemelijk dat een lager bedrag als pgb in 2008 is uitbetaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6226 WMO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 20 oktober 2010, 09/5089 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

CAK B.V. (appellante)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2012. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.C.A. van Eer; betrokkene is - met kennisgeving - niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 2 januari 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leiderdorp (college) betrokkene in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) een persoonsgebonden budget (pgb) voor hulp bij het huishouden toegekend voor de periode van 1 januari 2008 tot en met 30 juni 2008. De hoogte van het budget is - op

jaarbasis - vastgesteld op € 2.714,--. In het besluit is vermeld dat een eigen bijdrage is verschuldigd die zal worden vastgesteld door appellante.

1.2. Bij besluit van 14 januari 2009 heeft appellante de maximaal te betalen eigen bijdrage voor zorg, hulpmiddelen of voorzieningen die betrokkene op grond van de Wmo ontvangt, voor het zorgjaar 2008 vastgesteld op € 410,12 per periode van vier weken. Tevens heeft appellante op basis van door het college verstrekte gegevens aan betrokkene een bedrag van

€ 1.349,66 gefactureerd voor in 2008 verschuldigde eigen bijdragen.

1.3. Bij besluit van 16 juni 2009 heeft appellante het bezwaar van betrokkene tegen de vaststelling van de maximale eigen bijdrage per vier weken voor het zorgjaar 2008 en tegen de factuur van € 1.349,66 ongegrond verklaard.

2.1. Betrokkene heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Hij heeft aangevoerd, dat niet terecht is dat de eigen bijdragen over 2008 op een hoger bedrag zijn vastgesteld dan hij aan pgb heeft ontvangen. Voorts heeft hij het standpunt ingenomen dat in de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Leiderdorp 2007 (Verordening) ten onrechte is opgenomen, dat het college bepaalt in welke gevallen de eigen bijdrage wordt opgelegd en hoe deze berekend wordt. Deze bevoegdheid is voorbehouden aan de gemeenteraad en delegatie ervan is niet mogelijk.

2.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het besluit van 16 juni 2009 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, het bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 14 januari 2009 herroepen. De rechtbank heeft geoordeeld dat artikel 15, eerste lid, van de Wmo tot gevolg heeft dat het college niet bevoegd was de hoogte van de eigen bijdrage vast te stellen en dat artikel 3.5 van de Verordening en de artikelen 3.4, 3.5 en 3.6 van het Besluit voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Leiderdorp 2007 verbindende kracht missen wegens strijd met artikel 15 van de Wmo. De aard van de bevoegdheid tot vaststelling van de verschuldigdheid en de hoogte van de eigen bijdrage, die is toegekend aan de gemeenteraad, verzet zich tegen delegatie aan het college.

3. Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. De rechtbank heeft ten onrechte geconcludeerd dat de in artikel 3.5 van de Verordening opgenomen delegatie aan het college in strijd is met de wet. Er zijn geen duidelijke aanwijzingen dat de aard van de betreffende bevoegdheid zich tegen delegatie verzet.

4. Beoordeling

4.1. Voor de van belang zijnde wet- en regelgeving verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.

4.2. Zoals de Raad al eerder over een met artikel 3.5 van de Verordening vergelijkbare bepaling heeft geoordeeld (zie zijn uitspraken van 17 november 2010, LJN BO6880, en van 22 december 2010, LJN BO9987) is de in die bepaling aan het college gegeven opdracht tot nadere regelgeving niet in strijd met artikel 15, eerste lid, van de Wmo. Bij dit oordeel neemt de Raad enerzijds de tekst van artikel 15, eerste lid, van de Wmo in aanmerking en anderzijds het feit dat de hoogte van de vast te stellen eigen bijdrage wordt begrensd door het op artikel 15, derde lid, van de Wmo gebaseerde artikel 4.1 van het Besluit maatschappelijke ondersteuning. Gelet hierop verzet de aard van de bevoegdheid zich niet tegen de opdracht tot nadere regelgeving aan het college. Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt.

4.3.1. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad overgaan tot de beoordeling van de andere beroepsgrond die betrokkene bij de rechtbank heeft ingediend, te weten dat over 2008 door appellante een hoger bedrag in rekening is gebracht (€ 1.349,66) dan hij aan pgb van het college heeft ontvangen (€ 1.225,--).

4.3.2. Deze beroepsgrond is gericht tegen de in 1.2 genoemde factuur. Deze merkt de Raad aan als een besluit tot vaststelling van de eigen bijdragen die verschuldigd zijn over de (vierwekelijkse) perioden 1 tot en met 7 van 2008 in verband met het door het college toegekende pgb voor huishoudelijke zorg.

4.3.3. Appellante heeft de verschuldigde eigen bijdragen over de perioden 1 tot en met 7 van 2008 berekend op basis van door het college digitaal aangeleverde gegevens. Uit die gegevens blijkt dat betrokkene een pgb is verstrekt van € 200,22 (periode 1), € 207,64 (perioden 2 tot en met 6) en € 111,24 (periode 7), resulterend in een totaal bedrag van € 1.349,66. Deze gegevens zijn telefonisch door appellante geverifieerd. Het college heeft meegedeeld dat het volledige bedrag van € 1.349,66 aan betrokkene is overgemaakt.

4.3.3. Betrokkene betwist de door het college verstrekte gegevens die ten grondslag liggen aan de berekening van de eigen bijdragen. Dan ligt het op zijn weg om dat te onderbouwen, bijvoorbeeld door met overschrijvingen aan te tonen dat hij slechts € 1.225,-- heeft ontvangen. Nu hij dit niet heeft gedaan acht de Raad niet aannemelijk dat niet een bedrag van € 1.349,66 maar slechts van € 1.225,-- als pgb in 2008 is uitbetaald door het college. Het beroep van betrokkene is ongegrond.

4.4. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit tot vaststelling van de over 2008 verschuldigde eigen

bijdragen Wmo ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.T. Berkel-Kikkert als voorzitter en H.J. de Mooij en M.I. ’t Hooft als leden, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2012.

(get.) G.M.T. Berkel-Kikkert.

(get.) V.C. Hartkamp.

IJ