Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW6806

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-05-2012
Datum publicatie
29-05-2012
Zaaknummer
10-3738 AWBZ
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen indicatie voor de zorgfunctie Verpleging. Geen medische onderbouwing die noodzaakt tot een uitbreiding van zorg. Geen reden om aan te nemen dat de bevindingen van de medisch adviseur onjuist zijn of onzorgvuldig tot stand zijn gekomen. Dat eiser vrijwel niets zelf kan en continu toezicht nodig heeft, zoals hij zelf stelt, is bij gebreke van enige (medische) onderbouwing niet aangetoond of aannemelijk gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/3738 AWBZ

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 mei 2010, 09/212 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Stichting Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.M.E. Schreinemacher, advocaat, hoger beroep ingesteld.

CIZ heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Schreinemacher. CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.C.J.G. Maris-Kindt.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Bij appellant is al lange tijd sprake van een therapieresistente psychopathologie zonder kans op herstel. In verband met deze psychiatrische aandoening is appellant op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) geïndiceerd voor de zorgfunctie Ondersteunende begeleiding in de klasse 4 (7-9,9 uur per week).

1.2. Naar aanleiding van het verzoek van appellant om uitbreiding van zorg op grond van de AWBZ met de zorgfuncties Persoonlijke verzorging, Activerende begeleiding en Verpleging heeft CIZ een indicatieonderzoek ingesteld. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in het indicatierapport van 4 juli 2008. De medisch adviseur komt in dit rapport tot de conclusie dat er geen medische onderbouwing is voor de noodzaak tot uitbreiding van zorg.

1.3. Bij besluit van 4 juli 2008 heeft CIZ appellant opnieuw geïndiceerd voor de zorgfunctie Ondersteunende begeleiding klasse 4 (7-9,9 uur per week) over de periode van 4 juli 2008 tot en met 3 juli 2009.

1.4. Naar aanleiding van het bezwaar van appellant tegen het besluit van 4 juli 2008 heeft CIZ opnieuw medisch advies gevraagd. Voorts heeft CIZ het College voor zorgverzekeringen op grond van artikel 58 van de AWBZ om advies gevraagd.

1.5. Bij besluit van 8 december 2008 (bestreden besluit) heeft CIZ het bezwaar van appellant tegen het besluit van 4 juli 2008 ongegrond verklaard. Aan het besluit heeft CIZ ten grondslag gelegd dat appellant niet in aanmerking komt voor de zorgfunctie Verpleging, omdat er geen verpleegkundige zorg of handelingen aan de orde zijn. Voorts dat appellant evenmin in aanmerking komt voor de zorgfunctie Activerende begeleiding, omdat hij daarvoor niet aan de criteria voldoet. Verder dat appellant ook niet in aanmerking komt voor de zorgfunctie Persoonlijke verzorging, omdat de activiteit, appellant aansporen zijn medicijnen in te nemen, valt onder de zorgfunctie Ondersteunende begeleiding, waarvoor appellant wel in aanmerking komt. Ten aanzien van die zorgfunctie Ondersteunende begeleiding heeft CIZ gedetailleerd aangegeven op welke wijze deze indicatie is opgebouwd en berekend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe - voor zover in hoger beroep nog van belang - het volgende overwogen, waarbij appellant als eiser is aangeduid en CIZ als verweerder.

“6. Uit jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (onder meer de uitspraak van 4 februari 2004, LJN: AO3722) volgt dat aan een indicatieorgaan als verweerder, gelet op de bij hem aanwezige deskundigheid, in beginsel een ruime mate van vrijheid toekomt met betrekking tot de binnen het kader van de toepasselijke regelgeving bij zijn beoordeling aan te leggen indicatiemaatstaven, behoudens uiteraard voorzover geschreven en ongeschreven rechtsregels of algemene rechtsbeginselen daaraan in de weg zouden staan.

7. Uit het indicatierapport van 4 juli 2008 blijkt dat naar aanleiding van eisers aanvraag op 20 juni 2008 een huisbezoek heeft plaatsgevonden door de medisch adviseur van verweerder. Zij heeft, na bestudering van het vorige medisch advies van 12 juli 2007 en telefonisch contact met eisers behandelend psychiater op 27 juni 2008, een medisch advies uitgebracht. Voorts is, nadat eiser bezwaar had gemaakt, nog informatie bij de behandelend psychiater ingewonnen. De medisch adviseur concludeert dat er geen medische onderbouwing is die noodzaakt tot een uitbreiding van zorg. De rechtbank heeft geen reden om aan te nemen dat de bevindingen van de medisch adviseur onjuist zijn of onzorgvuldig tot stand zijn gekomen, zodat zij van de juistheid daarvan uitgaat. Dat eiser vrijwel niets zelf kan en continu toezicht nodig heeft, zoals hij zelf stelt, acht de rechtbank bij gebreke van enige (medische) onderbouwing niet aangetoond of aannemelijk gemaakt.

8. De in het indicatierapport van 4 juli 2008 door de medisch adviseur voorgestelde activiteiten, komen neer op het ondersteunen bij het aanbrengen van structuur, het voeren van regie en het ondersteunen bij vaardigheden/handelingen ten behoeve van zelfredzaamheid. Gelet op bijlage 6 van de beleidsregels (ondersteunende begeleiding), waarin een overzicht wordt gegeven van handelingen die deel uitmaken van deze functie, vallen deze activiteiten onder de functie ondersteunende begeleiding. De beoordeling die verweerder op basis van het indicatierapport heeft gemaakt van de omvang van de indicatie, acht de rechtbank verder niet onredelijk. Daarbij is van belang dat eiser de stelling dat er meer tijd nodig is voor handelingen en activiteiten niet met medische stukken heeft onderbouwd.”

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Volgens appellant dient meer zorg te worden verleend. Volgens zijn berekening dient hij in aanmerking te worden gebracht voor 339 minuten per week Persoonlijke verzorging en 1050 minuten per week Ondersteunende begeleiding.

4. De Raad komt, gelet op de inhoud van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting, tot de volgende beoordeling.

4.1. De rechtbank is op goede gronden tot het oordeel gekomen dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. De Raad onderschrijft dit oordeel en de overwegingen die de rechtbank aan dat oordeel ten grondslag heeft gelegd. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, biedt geen aanknopingspunten om tot een andersluidend oordeel te komen. Hierbij is van belang dat appellant ook in hoger beroep zijn standpunt dat hij op meer zorg is aangewezen, niet met medische stukken heeft onderbouwd.

4.2. Uit hetgeen onder 4.1 is overwogen, volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.T. Berkel-Kikkert als voorzitter en H.J. de Mooij en M.I. ’t Hooft als leden, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2012.

(get.) G.M.T. Berkel-Kikkert.

(get.) V.C. Hartkamp.

IJ