Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW6797

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-05-2012
Datum publicatie
29-05-2012
Zaaknummer
10-9 WUBO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer en om WUBO-uitkering. Niet gebleken van oorlogsgebeurtenissen in de zin van de WUBO. Dat de situatie reeds gespannen was, neemt niet weg dat hier sprake was van een vlucht uit voorzorg. Voor de WUBO is dat niet voldoende. Appellant heeft er nog op gewezen dat hij niet één maar tweemaal heeft moeten vluchten, namelijk ook vanuit het Logegebouw naar het Kramatkamp. Voor het oordeel dat bij die tweede vlucht sprake was van een levensbedreigende situatie of van levensbedreigende omstandigheden bieden de gedingstukken echter geen aanknopingspunten. Het Kramatkamp zelf geldt in de hier van belang zijnde periode als een opvangkamp, zodat het verblijf daarin niet onder de werking van de WUBO kan worden gebracht. Dat hierover bij de erkenning van de moeder van appellant nog anders werd geoordeeld, is niet doorslaggevend, nu bij verweerder sprake is geweest van voortschrijdend historisch inzicht op dit punt. Overschrijding redelijke termijn

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/9 WUBO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, thans: de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

Datum uitspraak 17 mei 2012

PROCESVERLOOP

Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd door de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), is in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), voortgezet door de Pensioen en Uitkeringsraad als bedoeld in deze wet. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de voormalige Raadskamer WUBO van de PUR.

Namens appellant heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 11 december 2009, kenmerk BZ 9232, JZ/K60/2009 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940 1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Berkel. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant is in 1944 geboren in het toenmalig Nederlands-Indië. In februari 2009 heeft hij een aanvraag ingediend om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo en om toekenningen op grond van die wet.

1.2. Bij besluit van 23 juli 2009, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Volgens verweerder is niet gebleken dat appellant gebeurtenissen heeft meegemaakt die onder de werking van de Wubo kunnen worden gebracht.

2. Naar aanleiding van hetgeen in beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

2.1. In artikel 2, eerste lid, van de Wubo wordt omschreven wie onder burger-oorlogsslachtoffers worden verstaan. Tot deze groep behoren degenen die tijdens de oorlogsjaren 1940 1945 of gedurende de daaraan aansluitende periode van ongeregeldheden in het voormalig Nederlands-Indië (de zogenoemde Bersiapperiode) als burger lichamelijk of psychisch letsel hebben opgelopen ten gevolge van:

- met de krijgsverrichtingen of ongeregeldheden direct verbonden handelingen of omstandigheden;

- direct tegen hem gerichte handelingen of maatregelen van de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiapperiode;

- confrontatie met extreem geweld tegen derden door de Japanse bezetter of daarmee vergelijkbare omstandigheden tijdens de Bersiapperiode.

2.2. De door appellant gestelde brandstichting in de ouderlijke woning heeft plaatsgevonden in 1943, dus nog voordat appellant was geboren. Reeds hierom kan deze gebeurtenis in zijn geval niet als calamiteit in de zin van de Wubo worden aanvaard. Bovendien is niet aannemelijk geworden dat het hier ging om een daad die aan de Japanse bezetter kan worden toegerekend.

2.3. Met verweerder acht de Raad niet aannemelijk dat de inval in de ouderlijke woning, waarbij de vader van appellant door de Japanners werd gearresteerd, tegen appellant persoonlijk was gericht. Het ging blijkbaar speciaal om de vader en niet tevens om de andere leden van het gezin. Uit de beschikbare gegevens komt ook niet naar voren dat één en ander gepaard is gegaan met excessief geweld.

2.4. Als vaststaand moet worden aangenomen dat de moeder van appellant door de Japanners hardhandig is verhoord. Blijkens het sociaal rapport van de moeder heeft dit echter niet thuis maar op het politiebureau plaatsgevonden. In dat rapport is niet vermeld dat appellant die nog maar net was geboren daarbij aanwezig is geweest. Ook uit de getuigenverklaring van de broer van de moeder kan dit niet worden afgeleid. Gelet hierop ziet de Raad in de door de moeder pas op de hoorzitting afgelegde verklaring dat zij haar beide zoontjes naar het politiebureau had meegenomen onvoldoende grond om aan te nemen dat appellant met extreem geweld jegens derden is geconfronteerd.

2.5. Wat betreft de gestelde gebeurtenissen in de Bersiap-tijd, onderschrijft de Raad de opvatting van verweerder dat de vlucht vanuit de Laan Menu naar het Logegebouw niet, zoals voor de Wubo vereist, heeft plaatsgevonden vanuit een levensbedreigende situatie of onder levensbedreigende omstandigheden. De gedingstukken laten zien dat de vader de vlucht vooraf had geregeld en dat andere gezinnen in de buurt pas later zijn vertrokken. Dat de situatie reeds gespannen was, neemt niet weg dat hier sprake was van een vlucht uit voorzorg. Voor de Wubo is dat niet voldoende. Appellant heeft er nog op gewezen dat hij niet één maar tweemaal heeft moeten vluchten, namelijk ook vanuit het Logegebouw naar het Kramatkamp. Voor het oordeel dat bij die tweede vlucht sprake was van een levensbedreigende situatie of van levensbedreigende omstandigheden bieden de gedingstukken echter geen aanknopingspunten. Het Kramatkamp zelf geldt in de hier van belang zijnde periode als een opvangkamp, zodat het verblijf daarin niet onder de werking van de Wubo kan worden gebracht. Dat hierover bij de erkenning van de moeder van appellant nog anders werd geoordeeld, is niet doorslaggevend, nu bij verweerder sprake is geweest van voortschrijdend historisch inzicht op dit punt. De stelling dat het Kramatkamp is beschoten vindt op zichzelf steun in de stukken, maar daaruit kan niet worden afgeleid dat appellant bij die beschietingen persoonlijk en rechtstreeks betrokken is geweest. Zo blijkt niets van doden, gewonden of materiële schade in de directe omgeving van appellant. In het dossier van de moeder worden de beschietingen zelfs niet genoemd. Aan de verklaringen van de zuster van appellant kan weinig of geen zelfstandige betekenis worden toegekend, omdat zij pas in mei 1946 is geboren.

2.6. De Raad komt tot de slotsom dat verweerder terecht heeft overwogen dat van oorlogsgebeurtenissen in de zin van de Wubo niet is gebleken. Het beroep moet dus ongegrond worden verklaard.

3. Appellant heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), door de Raad.

3.1. De vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van de betrokkene, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de rechten van de mens naar voren komt.

3.2. In het voorliggende geval betreft het een procedure in twee instanties, te weten bezwaar en beroep (in eerste en enige aanleg). In zaken zoals deze is de redelijke termijn voor een procedure in twee instanties naar het oordeel van de Raad in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan twee-en-een-half jaar in beslag heeft genomen. Heeft de totale procedure langer dan twee-en-een-half jaar geduurd, dan dient vervolgens per instantie te worden bezien of sprake is van een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd. Daarbij geldt dat in beginsel het bezwaar binnen een half jaar en het beroep binnen twee jaar zouden moeten worden afgerond (CRvB 9 april 2009, LJN BI2179).

3.3. Voor het geval van appellant betekent dit het volgende. Het inleidend bezwaarschrift is door verweerder op 21 augustus 2009 ontvangen. Vanaf die datum tot aan de datum van deze uitspraak zijn ongeveer twee jaar en negen maanden verstreken. Dit is meer dan twee-en-een-half jaar. Verweerder heeft binnen de termijn van zes maanden op het bezwaar beslist. Vanaf de ontvangst van het inleidend beroepschrift door de Raad op 5 januari 2010 tot aan de datum van deze uitspraak zijn echter meer dan twee jaren verstreken. De Raad verbindt hieraan het vermoeden dat de redelijke termijn in de rechterlijke fase is overschreden. Dit betekent dat met toepassing van artikel 8:73, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het onderzoek moet worden heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de schadevergoeding. Met verdragsconforme toepassing van artikel 8:26, eerste lid, van de Awb zal de Staat der Nederlanden (minister van Veiligheid en Justitie) als partij in die procedure worden aangemerkt.

4. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het beroep ongegrond;

- bepaalt dat het onderzoek onder nummer 12/2761 wordt heropend ter voorbereiding van een

nadere uitspraak over het verzoek van appellant om vergoeding van schade met betrekking

tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, en merkt de Staat der Nederlanden

(minister van Veiligheid en Justitie) aan als partij in die procedure.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en G.L.M.J. Stevens als leden, in tegenwoordigheid van J. van Dam als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2012.

(get.) A. Beuker-Tilstra.

(get.) J. van Dam.

RB