Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW6796

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-05-2012
Datum publicatie
29-05-2012
Zaaknummer
10-5035 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Strafontslag. De twee door de Raad besproken gedragingen die aan het ontslag ten grondslag zijn gelegd leveren ernstig plichtsverzuim op en kunnen het verleende strafontslag rechtvaardigen. Hierbij is in aanmerking genomen dat appellant door (een deel van) genoemde gedragingen wettelijke regels heeft overtreden, op de naleving waarvan hij als politiefunctionaris juist had toe te zien. Appellant heeft hierdoor ernstig afbreuk gedaan aan zijn eigen professionele geloofwaardigheid en ook aan die van de politieorganisatie als zodanig. Voor zover appellant erop heeft gewezen dat bij deze organisatie misstanden bestonden en regels niet werden nageleefd, moet worden onderstreept dat dit niet wegneemt dat appellant een eigen verantwoordelijkheid had zich als goed politieambtenaar te gedragen. Het appellant opgelegde strafontslag wordt niet onevenredig geacht aan de ernst van de hem verweten gedragingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2012/160
ABkort 2012/244
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/5035 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 28 juli 2010, 10/2968 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Korpsbeheerder van de politieregio Hollands Midden (korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 24 mei 2012

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2012. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.D. Dane, advocaat. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. G.E. Treffers.

OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.1. Appellant was vanaf 1 januari 1997 werkzaam als eerste medewerker Bijzondere Wetten bij de afdeling Bijzondere Wetten van de politieregio Hollands Midden.

1.2. Bij besluit van 30 juli 2009 heeft de korpsbeheerder appellant met toepassing van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder j, van het Besluit algemene rechtspositie politie met onmiddellijke ingang de disciplinaire straf van ontslag opgelegd wegens verscheidene vormen van plichtsverzuim. Bij het bestreden besluit van 17 maart 2010 heeft de korpsbeheerder dit ontslagbesluit na door appellant gemaakt bezwaar gehandhaafd.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. De Raad overweegt naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht het volgende.

3.1. Appellant heeft op 16 juni 2008 in de avonduren twee vossen dood geschoten in [naam gebied], onderdeel van het op grond van de Natuurbeschermingswet (NBW) als beschermd natuurmonument aangewezen [duingebied]. Hij heeft dit gedaan zonder te beschikken over de daarvoor volgens artikel 16, eerste lid, van de NBW vereiste vergunning van gedeputeerde staten. De stelling van appellant dat hij niet wist dat het hier om een beschermd natuurgebied gaat, is niet geloofwaardig, zeker niet nu hij beroepshalve van deze status op de hoogte moest zijn. Voorts treft de stelling van appellant dat de vossen niet in het natuurgebied maar in de tuin bij het huis van R zijn geschoten, geen doel nu R in het natuurgebied woonachtig was, de vossen afkomstig waren uit het natuurgebied en door het neerleggen van voedsel naar de tuin werden gelokt.

Daarnaast ontbrak het appellant aan toestemming van de grondgebruiker, zijnde de gemeente Katwijk die tevens eigenaar is van het gebied, welke toestemming blijkens artikel 65, derde lid, van de Flora- en faunawet nodig was. Appellant heeft bij zijn aanhouding wel een hem door R, die door de gemeente Katwijk als jachtopzichter was aangesteld, gegeven toestemming getoond maar deze ontbeerde rechtskracht. R was immers zelf niet gerechtigd om vossen te schieten en evenmin om anderen daarvoor toestemming te verlenen. Daar komt bij dat de “toestemming” blijkens verklaringen van zowel R als appellant zelf slechts zag op bestrijding van kraaien.

3.2. Appellant heeft voorts uit hoofde van zijn functie een wapen in bewaring genomen van V die afstand van dat wapen wilde doen. Appellant heeft dit wapen verder in overleg met en ten behoeve van V verkocht aan een hem bekende derde die in Engeland woonde. Aldus heeft hij zijn functioneren als politiefunctionaris vermengd met optreden als privépersoon. Voor het uitvoeren (uitgaan) van dit wapen naar Engeland heeft appellant niet het op grond van artikel 14, eerste lid, van de Wet wapens en munitie vereiste consent gevraagd of verkregen. Van deze eis was appellant blijkens zijn verklaringen op de hoogte.

3.3. De Raad is met de korpsbeheerder van oordeel dat reeds de hiervoor besproken gedragingen van appellant ernstig plichtsverzuim opleveren en het verleende strafontslag kunnen rechtvaardigen. Het overige appellant ten laste gelegde plichtsverzuim kan en zal hier daarom buiten bespreking blijven.

Hierbij is in aanmerking genomen dat appellant door (een deel van) genoemde gedragingen wettelijke regels heeft overtreden, op de naleving waarvan hij als politiefunctionaris juist had toe te zien. Appellant heeft hierdoor ernstig afbreuk gedaan aan zijn eigen professionele geloofwaardigheid en ook aan die van de politieorganisatie als zodanig. Overigens is appellant inmiddels bij vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage van 21 september 2010 voor onder meer de hiervoor beschreven gedragingen strafrechtelijk veroordeeld.

Voor zover appellant erop heeft gewezen dat bij deze organisatie misstanden bestonden en regels niet werden nageleefd, moet worden onderstreept dat dit niet wegneemt dat appellant een eigen verantwoordelijkheid had zich als goed politieambtenaar te gedragen. Bovendien is gesteld noch gebleken dat collega’s van appellant zich aan hetzelfde of even ernstig plichtsverzuim hebben schuldig gemaakt als hij zelf blijkens voorgaande overwegingen heeft gedaan.

3.4. Dit betekent dat het appellant opgelegde strafontslag niet onevenredig wordt geacht aan de ernst van de hem verweten gedragingen.

3.5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. Voor veroordeling van de korpsbeheerder tot vergoeding van proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.Th. Wolleswinkel als voorzitter en M.C. Bruning en F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 mei 2012.

(get.) J.Th. Wolleswinkel.

(get.) P.J.M. Crombach.

HD