Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW6574

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-05-2012
Datum publicatie
29-05-2012
Zaaknummer
11-4311 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het verzoek tot schadevergoeding is ingetrokken omdat partijen overeenstemming hebben bereikt over het bedrag aan schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM. De Raad ziet geen reden om tot een veroordeling in de proceskosten te komen, omdat de intrekking van het verzoek om schadevergoeding geen proceshandeling is die op grond van het Bpb voor vergoeding in aanmerking komt. Ook overigens is van proceshandelingen tijdens deze procedure die voor vergoeding op grond van het Bpb in aanmerking komen, niet kunnen blijken. De Raad wijst het verzoek tot toepassing van art. 8:75 Awb af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/4311 BESLU

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het verzoek om schadevergoeding van:

Partijen:

de erven van wijlen [betrokkene], laatstelijk gewoond hebbende te [woonplaats], Tunesiƫ (erven)

de Staat der Nederlanden (de Minister van Veiligheid en Justitie) (Staat)

Datum uitspraak 23 mei 2012.

PROCESVERLOOP

Namens de erven heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 augustus 2010, 07/1104, in het geding tussen de erven en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

Bij uitspraak van 27 juli 2011, LJN BR3532 heeft de Raad uitspraak gedaan op dit hoger beroep. Daarbij heeft de Raad onder meer bepaald dat het onderzoek onder het in de aanhef van deze uitspraak genoemde nummer wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van de erven om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), en heeft de Raad de Staat aangemerkt als partij in die procedure.

Namens de Staat heeft drs. B.E.J. Klein Schiphorst bij brief van 30 september 2011 een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Bij brief van 21 december 2011 is namens de erven het verzoek om schadevergoeding ter zake van de overschrijding van de redelijke termijn ingetrokken en gelijktijdig de Raad verzocht de Staat te veroordelen in de proceskosten.

De Staat heeft een verweerschrift ingediend.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 21 van de Beroepswet is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

Het verzoek tot schadevergoeding is ingetrokken omdat partijen overeenstemming hebben bereikt over het bedrag aan schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. De Raad ziet geen reden om tot een veroordeling in de proceskosten te komen, omdat de intrekking van het verzoek om schadevergoeding geen proceshandeling is die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komt. Ook overigens is van proceshandelingen tijdens deze procedure die voor vergoeding op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht in aanmerking komen, niet kunnen blijken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek tot toepassing van artikel 8:75 van de Awb af.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk, in tegenwoordigheid van A.J.T.M. Bruijnis-Vermeulen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2012.

(get.) G.A.J. van den Hurk

(get.) A.J.T.M. Bruijnis-Vermeulen

IvR