Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW6569

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-05-2012
Datum publicatie
24-05-2012
Zaaknummer
11-5747 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning bijstand. Ingangsdatum. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college de bijstand met terugwerkende kracht had dienen toe te kennen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/5747 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 26 augustus 2011, 11/3629 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante], te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van 's-Gravenhage (college)

Datum uitspraak: 16 mei 2012

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. J.L. Plokker, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.H. Buizert.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Appellante heeft zich vanuit de situatie dat zij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) ontving, op 26 mei 2010 ziek gemeld. Bij besluit van 30 juli 2010 heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) aan haar met ingang van 7 juni 2010 een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend. Met de “beslissing van arbeidsgeschiktheid” van 10 augustus 2010 heeft de verzekeringsarts van het Uwv appellante per 16 augustus 2010 geschikt geacht voor de verzekerde en/of de geduide arbeid en is de ZW-uitkering vanaf laatstgenoemde datum beëindigd. Het Uwv heeft het door appellante tegen deze beslissing gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

1.2. Appellante heeft op 26 oktober 2010 een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend. Bij besluit van 10 november 2010 heeft het college appellante met ingang van 26 oktober 2010 bijstand op grond van de WWB toegekend naar de norm voor een alleenstaande.

1.3. Bij besluit van 21 maart 2011 (bestreden besluit) heeft het college het tegen het besluit van 10 november 2010 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat in haar situatie bijzondere omstandigheden het rechtvaardigen dat aan haar met terugwerkende kracht tot 16 augustus 2010 bijstand wordt verleend. Deze bijzondere omstandigheden zijn volgens appellante gelegen in de combinatie van haar psychische klachten en de onduidelijke situatie rondom haar hersteldmelding met het in 1.1 genoemde besluit van 10 augustus 2010. Appellante ging ervan uit dat haar ZW-uitkering zou doorlopen nadat zij tegen dat besluit bezwaar had gemaakt. De verzekeringsarts heeft haar niet verteld dat zij een uitkering ingevolge de WWB moest aanvragen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In beginsel wordt geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de bijstandsaanvraag is ingediend en/of de melding bij het Uwv heeft plaatsgevonden. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken wanneer bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.

4.2. Het in 1.1 genoemde besluit van arbeidsgeschiktheid geeft duidelijk aan dat de ZW-uitkering wordt beëindigd vanaf 16 augustus 2010, de dag dat appellante volgens de verzekeringsarts weer arbeidsgeschikt is. Uit de betalingsspecificatie van 16 augustus 2010 blijkt dat tot en met 15 augustus 2010 ZW-uitkering is uitgekeerd. Ter zitting heeft appellante te kennen gegeven dat zij wist dat zij na de beëindiging van de ZW-uitkering geen recht meer had op een WW-uitkering. Het had dan ook op haar weg gelegen om zich na ontvangst van het besluit van 10 augustus 2010 bij het Uwv te melden voor het aanvragen van bijstand. De omstandigheid dat appellante in veronderstelling verkeerde dat het indienen van een bezwaarschrift tegen de beëindiging van de ZW-uitkering tot gevolg zou hebben dat deze uitkering zou doorlopen, dient voor haar rekening en risico te blijven. De gedingstukken bieden voor die veronderstelling geen aanknopingspunten.

4.3. De psychische problematiek van appellante vormt ook geen bijzondere omstandigheid om bijstand te verlenen met terugwerkende kracht tot 16 augustus 2010. Uit de medische gegevens, waaronder het verslag van psycholoog M. Mac Inroy van het intakegesprek met appellante op 11 mei 2010, blijkt weliswaar dat appellante een aanpassingsstoornis met depressieve klachten heeft, maar op grond daarvan kan niet worden geconcludeerd dat zij op psychische gronden verhinderd was om, eventueel met hulp van derden, eerder dan op 26 oktober 2010 een aanvraag om bijstand in te dienen. Zo heeft zij in die periode met hulp van haar maatschappelijk werker immers ook een bezwaarschrift tegen de beëindiging van de ZW-uitkering kunnen indienen.

4.4. Ook de combinatie van de bij appellante bestaande onduidelijkheid en haar psychische klachten kan niet leiden tot het aannemen van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college de bijstand met terugwerkende kracht tot 16 augustus 2010 had moeten toekennen.

4.5. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.N.A. Bootsma, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2012.

(get.) J.N.A. Bootsma.

(get.) R. Scheffer.

HD