Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW6563

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-05-2012
Datum publicatie
29-05-2012
Zaaknummer
10-356 WWB-T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Verlaging bijstand voor de duur van drie maanden met 100%. Aan het besluit ligt ten grondslag dat appellant heeft geweigerd algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden. Geen sprake van een psychosociale problematiek, waardoor appellant niet in staat was het werkaanbod bij Apprenti te aanvaarden. Appellant is bij Apprenti een werkervaringsplaats aangeboden. Het gaat om een tijdelijk dienstverband, waarbij betrokkenen worden getraind door een werkcoach op werknemersvaardigheden en intensief worden begeleid naar het vinden van “regulier werk”. Het werkaanbod bij Apprenti geldt niet als algemeen geaccepteerde arbeid, als bedoeld in artikel 9, eerste lid aanhef en onder a, van de WWB. Het door appellant geweigerde werkaanbod bij Apprenti dient dan ook te worden aangemerkt als een op arbeidsinschakeling gerichte voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB. Het besluit berust niet op een juiste grondslag. De Raad draagt het college op het gebrek in het besluit te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2012/98
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/356 WWB-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

T U S S E N U I T S P R A A K

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 december 2009, 09/3727 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Diemen (college)

Datum uitspraak 22 mei 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.E. Mungroop, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingezonden.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 10 april 2012. Partijen zijn, zoals tevoren bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.2. Appellant ontvangt sinds 3 september 2001 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Op appellant waren ten tijde hier van belang de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB van toepassing.

1.3. In het kader van een onderzoek naar de arbeidsmogelijkheden van appellant is door Werk in Ontwikkeling B.V. een medisch-arbeidskundig onderzoek verricht. De bevindingen hiervan zijn neergelegd in een rapportage van 20 februari 2009. Uit deze rapportage blijkt dat de medisch-adviseur tot de conclusie is gekomen dat appellant duurzaam belastbaar is voor loonvormende arbeid. Door de arbeidskundige is melding gemaakt van een matig beroepsperspectief bij appellant. Op basis van deze uitkomsten heeft de consulent van appellant, zoals blijkt uit een door hem opgestelde rapportage, kennelijk onjuist gedateerd 30 maart 2009, een dienstverband bij re-integratiebedrijf Apprenti (Apprenti) voor appellant een geschikt traject geacht. Bij dit bedrijf worden betrokkenen begeleid naar het zoeken van (ander) werk. Tijdens een gesprek met appellant op 11 mei 2009 heeft appellant het werkaanbod bij Apprenti geweigerd. Daarna is appellant het aanbod gedaan om het eens een dag bij Apprenti te proberen. Ook dat aanbod heeft hij afgeslagen. Appellant heeft meegedeeld dat hij wegens rugpijn niet in staat is aan het werk te gaan.

1.4. Bij besluit van 13 mei 2009 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 mei 2009 voor de duur van drie maanden met 100% verlaagd. Aan het besluit ligt ten grondslag dat appellant heeft geweigerd algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden. Dit levert volgens de Verordening afstemming bijstand gemeente Diemen (Verordening) een gedraging op van de vierde categorie.

1.5. Bij besluit van 28 juli 2009 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 13 mei 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. In artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB is bepaald dat onder arbeidsinschakeling wordt verstaan het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de WWB.

4.2. Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, voor zover hier van belang, is de belanghebbende verplicht naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de WWB, te aanvaarden.

4.3. Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB, voor zover van belang, is de belanghebbende verplicht gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, gericht op arbeidsinschakeling.

4.4. Artikel 18, tweede lid, van de WWB bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien de belanghebbende de uit de wet voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, het college de bijstand verlaagt overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b. Van een verlaging wordt afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. De hiervoor bedoelde verordening is in dit geval de onder 1.4 genoemde Verordening.

4.5. Artikel 2, derde lid, aanhef en onder c, van de Verordening bepaalt dat het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting tot gebruik maken van geboden re-integratievoorzieningen, waaronder begrepen het niet of onvoldoende meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheid tot arbeidsinschakeling, scholing of sociale activering, een gedraging betreft die behoort tot de derde categorie. In het vierde lid, onder b van dit artikel is bepaald dat het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid een gedraging betreft die behoort tot de vierde categorie.

4.6. Ingevolge artikel 3, eerste lid, onder c en d, van de Verordening wordt de maatregel bij een gedraging van de derde categorie vastgesteld op 20% van de bijstandsnorm respectievelijk bij een gedraging van de vierde categorie op 100% van de bijstandsnorm.

4.7. Artikel 4, eerste lid, onder b, van de Verordening bepaalt dat een verlaging van de bijstand bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de WWB plaatsvindt voor de duur van drie kalendermaanden voor een gedraging die door belanghebbende kan worden hersteld.

4.8. Appellant stelt zich in de eerste plaats op het standpunt dat hij op grond van zijn psychosociale problematiek niet in staat was het werkaanbod bij Apprenti te aanvaarden en daarnaar door het college nader onderzoek verricht had dienen te worden.

4.9. Deze beroepsgrond van appellant slaagt niet. Uit de onder 1.3 genoemde rapportage blijkt dat de medisch-adviseur A.H.M. Bernaert (Bernaert) appellant heeft onderzocht en dat door hem bij appellant geen medische afwijkingen zijn geconstateerd. Er was geen aanleiding nadere medische informatie op te vragen omdat appellant zijn huisarts nauwelijks bezoekt en hij niet onder behandeling staat of heeft gestaan bij een medisch specialist. Bernaert heeft wel vastgesteld dat bij appellant sprake was van een matige conditie en van enige lichte pijnklachten in de onderrug. In verband daarmee heeft hij appellant geadviseerd zich onder behandeling te stellen van een fysiotherapeut. Op grond van deze bevindingen heeft Bernaert geconcludeerd dat appellant belastbaar is gedurende een volledige werkweek. Het medisch advies wordt, zo blijkt uit eind april 2009 door Bernaert ingewonnen informatie bij de fysiotherapeut waar appellant inmiddels onder behandeling is, onderschreven. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het advies van Bernaert onzorgvuldig tot stand is gekomen. Evenmin heeft hij medische gegevens overgelegd waaruit blijkt dat de conclusies van dit advies onjuist zijn. Uit de in bezwaar overgelegde afsprakenkaart blijkt dat appellant zich op 25 juni 2009 heeft gewend tot een psycholoog in verband met de door hem gestelde concentratieproblemen wegens slaapstoornissen. Uit deze overgelegde kaart kan niet afgeleid worden dat bij appellant sprake was van geobjectiveerde psychische en/of lichamelijke beperkingen op grond waarvan hij niet in staat was het werkaanbod bij Apprenti te aanvaarden. Voorts heeft het college terecht in deze afsprakenkaart geen aanleiding gezien tot het verrichten van nader medisch onderzoek.

4.10. Het voorgaande betekent dat geen grond bestaat voor het oordeel dat van appellant niet kon worden gevergd het werkaanbod bij Apprenti te aanvaarden. Het college was dan ook gehouden met toepassing van artikel 18, tweede lid, van de WWB de bijstand van appellant overeenkomstig de Verordening te verlagen.

4.11. Gelet op de - ook in beroep ingenomen - stelling van appellant dat het werkaanbod bij Apprenti niet geldt als algemeen geaccepteerde arbeid maar als een re-integratietraject wordt het volgende overwogen.

4.12. Gelet op hetgeen in de onder 1.3 genoemde rapportage van 30 maart 2009 staat vermeld bezien in samenhang met het door appellant in hoger beroep ingebrachte stuk, waarin een omschrijving van het werk bij Apprenti wordt gegeven, is appellant bij Apprenti een werkervaringsplaats aangeboden. Het gaat om een tijdelijk dienstverband, waarbij betrokkenen worden getraind door een werkcoach op werknemersvaardigheden en intensief worden begeleid naar het vinden van “regulier werk”. De omstandigheid dat een arbeidsovereenkomst met Apprenti wordt afgesloten en van dit bedrijf salaris wordt ontvangen, betekent niet dat het werkaanbod bij Apprenti algemeen geaccepteerde arbeid als bedoeld in artikel 9, eerste lid aanhef en onder a, van de WWB betreft. Het door appellant geweigerde werkaanbod bij Apprenti dient dan ook te worden aangemerkt als een op arbeidsinschakeling gerichte voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB. Dit betekent dat de beroepsgrond van appellant hieromtrent slaagt.

4.13. Het voorgaande betekent dat het college appellant ten onrechte heeft verweten de in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB opgenomen verplichting niet te zijn nagekomen om algemeen geaccepteerde arbeid zonder dat daarbij een voorziening is getroffen te aanvaarden. Het bestreden besluit waarbij de verlaging van de bijstand van appellant ingevolge artikel 2, vierde lid, onder b in samenhang met artikel 3, eerste lid, onder d en artikel 4, eerste lid, onder b, is vastgesteld op 100% gedurende 3 maanden berust niet op een juiste grondslag. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dit besluit vernietigen.

4.14. De Raad acht het niet mogelijk om de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand te laten of om zelf in de zaak te voorzien. Het college zal, rekeninghoudend met hetgeen onder 4.12 is overwogen, moeten bezien welke verlaging wordt opgelegd. Daarbij dient het college tevens te bezien of de oorspronkelijk ingangsdatum van de verlaging juist is vastgesteld. Verwezen wordt naar de rechtspraak met betrekking tot de ingangsdatum van een maatregel (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 12 maart 2002, LJN AE3147), waaruit is af te leiden dat een verlaging niet eerder behoort in te gaan dan met ingang van de datum waarop de laakbare handeling zich heeft voorgedaan.

5. De Raad zal met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het college opdragen het gebrek in het besluit van 28 juli 2009 te herstellen.

BESLISSING

de Centrale Raad van Beroep draagt het college op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in het besluit van 28 juli 2009 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.J.A. Kooijman en E.J. Govaers als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2012.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) R.L.G. Boot.

HD