Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW6554

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-05-2012
Datum publicatie
29-05-2012
Zaaknummer
11-6871 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Vermindering van de bezoldiging is rechtmatig. 2) Ontslag. Het bestuur was niet bevoegd appellant op grond van artikel 12.12, eerste lid, van de CAO UMC (onherstelbaar verstoorde verhoudingen) te ontslaan aangezien appellant ten tijde van zijn ontslag op grond van ziekte of gebrek ongeschikt was zijn functie te vervullen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/6871 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 10 oktober 2011, 08/757, (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de raad van bestuur van het Universitair Medisch Centrum Groningen (bestuur)

Datum uitspraak: 16 mei 2012

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.A. Kootstra, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 5 april 2012. Voor appellant is mr. Kootstra verschenen. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. van der Hart-Zwart, advocaat.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreid overzicht van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellant, die per 13 september 2004 bij de Rijksuniversiteit Groningen (RUG) in dienst trad, werd daar met ingang van 1 juli 2005 voor onbepaalde tijd aangesteld in de functie van onderwijs-/onderzoeksassistent bij de dienst Facilitaire Zaken van de [naam faculteit].

1.2. Op 15 mei 2006 werd appellant erop aangesproken dat hij stond te roken op een plek waar dit niet was toegestaan. Appellant werd boos en uitte dit op storende wijze. Vervolgens meldde hij zich ziek. Naar aanleiding daarvan heeft de bedrijfsarts appellant op 31 mei 2006 niet langer op medische gronden arbeidsongeschikt geacht. Op 5 juli 2006 heeft de bedrijfsarts dit gewijzigd in het oordeel dat appellant 3 x 4 uur per week zijn werk kon doen.

1.3. Vervolgens werd appellant uitgenodigd voor een werkhervattingsgesprek op 19 juli 2006, waar hij is verschenen. Halverwege het gesprek is appellant opgestapt, nadat hij in woede een tafel had vernield. Nadat het voornemen daartoe aan appellant bekend was gemaakt, werd hij bij besluit van 2 augustus 2006 op non-actief gesteld met behoud van bezoldiging, dit wegens de incidenten op 15 mei 2006 en 19 juli 2006. Appellant heeft hierin berust. Nadat de bedrijfsarts van psychiater H.J.M. Mutsaers (Mutsaers) antwoord had gekregen op vragen die hij hem had gesteld, is appellant alsnog met ingang van

19 juli 2006 bij de RUG ziek gemeld.

1.4. Wegens de oprichting van het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG) per 1 januari 2007 is ook appellant met ingang van die datum met behoud van zijn functie naar het UMCG overgegaan en werd op hem in plaats van de CAO NU de CAO UMC van toepassing.

1.5. In juli 2007 heeft de bedrijfsarts Mutsaers opnieuw benaderd met de vraag of appellant zijn werk kon hervatten. Dit was volgens Mutsaers het geval, omdat bij appellant geen sprake meer was van ziekte of gebrek. In verband hiermee heeft de bedrijfsarts appellant per 30 augustus 2007 hersteld verklaard. Appellant heeft niet hervat.

1.6. Bij besluit van 10 september 2007 werd de bezoldiging van appellant op grond van artikel 8.5, eerste lid, van de CAO UMC met ingang van 19 juli 2007 van 100% verminderd tot 70%, omdat appellant sinds 19 juli 2006 52 weken wegens ziekte geheel of gedeeltelijk verhinderd was zijn arbeid te verrichten. Hiertegen heeft appellant bezwaar gemaakt, waarbij hij zich heeft beroepen op artikel 13 van het sociaal plan dat behoort bij de overgang van het RUG-personeel naar het UMCG. Verder is, in overeenstemming met een in november 2006 aangezegd ontslag bij hersteldverklaring, bij besluit van 4 oktober 2007 aan appellant per 1 november 2007 op grond van artikel 12.12, eerste lid, van de CAO UMC (onherstelbaar verstoorde verhoudingen) ontslag verleend, onder toekenning van een bepaalde regeling. Hiertegen heeft appellant bezwaar gemaakt.

1.7. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) heeft in een door appellant verzocht deskundigenoordeel van 15 november 2007, in afwijking van een oordeel van 10 augustus 2006 over de arbeidsgeschiktheid op 1 augustus 2006, te kennen gegeven dat appellant op 30 augustus 2007 niet geschikt is voor het verrichten van het eigen werk. Op 26 februari 2008 heeft de bedrijfsarts aan het bestuur gemeld dat Mutsaers onveranderd van opvatting was dat er bij appellant geen ziekte of gebrek aanwezig was. Vervolgens heeft het bestuur bij besluit van 9 juli 2008 (bestreden besluit) de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 10 september 2007 en van 4 oktober 2007 ongegrond verklaard.

2. Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft de psychiater/neuroloog C.J.F. Kemperman (Kemperman) als deskundige benoemd en hem onder andere de vraag voorgelegd of appellant op 30 augustus 2007 geschikt was voor het verrichten van zijn functie van onderwijsassistent. Kemperman heeft op 17 januari 2011 gerapporteerd. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellant ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft de aangevallen uitspraak gemotiveerd bestreden. Met betrekking tot het ontslag is aangevoerd dat appellant, gezien de voorgeschiedenis en gelet op het rapport van Kemperman, niet op de gehanteerde grond, maar op grond van ziekte ontslagen had moeten worden. Het bestuur heeft bepleit dat die uitspraak wordt bevestigd.

4. Naar aanleiding van de standpunten van partijen in hoger beroep overweegt de Raad het volgende.

Vermindering van de bezoldiging

4.1. De rechtbank heeft de beroepsgrond van appellant verworpen, dat hij sinds 2006 ononderbroken arbeidsongeschikt was en daarom op 1 januari 2007 voldeed aan de voorwaarde van artikel 13 van het onder 1.7 genoemde sociaal plan, dat vermindering dan niet toelaat. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat appellant eerst op 5 juli 2006 arbeidsongeschikt is bevonden. Gezien hetgeen onder 1.2 is vermeld, onderschrijft de Raad deze overweging en ook het oordeel van de rechtbank dat de per 19 juli 2007 toegepaste vermindering van de bezoldiging rechtmatig is. Het hoger beroep van appellant slaagt in zoverre niet.

Ontslag

4.2. Appellant heeft volhard in de stelling dat het bestuur niet bevoegd was hem op grond van artikel 12.12, eerste lid, van de CAO UMC ontslag te verlenen, omdat hij ook op de datum van zijn ontslag ziek was en dat daarom enkel ontslag op grond van artikel 12.10 van de CAO UMC gerechtvaardigd is.

4.3. In zijn rapport van 17 januari 2011 heeft Kemperman vastgesteld dat bij appellant een persoonlijkheidsstoornis bestaat die in relatieve rust is, en dat hij daarnaast (vermoedelijk) al langdurig lijdt aan een periodieke explosieve stoornis. Deze stoornis brengt voor appellant een beperking mee voor het hanteren van conflictsituaties. Het rapport laat verder zien dat Kemperman deze stoornis duidt als ziekte of gebrek. De Raad ziet geen reden het rapport van de deskundige Kemperman niet te volgen. Partijen hebben zich ook niet gemotiveerd tegen (onderdelen van) dat rapport gekeerd.

4.4. Gezien het rapport van Kemperman is de Raad in de eerste plaats van oordeel dat appellant vanaf 5 juli 2006 niet tot 30 augustus 2007 maar ook ten tijde van zijn ontslag, op 4 oktober 2007, op grond van ziekte of gebrek ongeschikt was zijn functie te vervullen. Op dit punt staat dit rapport niet op zichzelf. Het spoort ook met het deskundigenoordeel van het Uwv van 15 november 2007 over de hersteldverklaring van appellant op 30 augustus 2007.

4.5. Hetgeen in 4.4 is overwogen brengt mee dat het bestuur niet bevoegd was appellant op grond van artikel 12.12, eerste lid, van de CAO UMC te ontslaan. Het bestuur was wel bevoegd appellant wegens ziekte op grond van artikel 12.10 van de CAO UMC te ontslaan. Dit heeft het bestuur echter niet gedaan.

5. Het hoger beroep inzake het ontslag slaagt. Bij de aangevallen uitspraak is niet onderkend dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met artikel 12.12, eerste lid, van de CAO UMC; deze kan dus niet in stand gelaten worden. Het bestreden besluit moet worden vernietigd voor zover dit het ontslag betreft. Omdat het besluit van

4 oktober 2007 aan hetzelfde gebrek lijdt als het bestreden besluit en dat gebrek niet kan worden hersteld, zal de Raad eerstgenoemd besluit herroepen. Indien het bestuur appellant op grond van artikel 12.10 van de CAO UMC wenst te ontslaan, zal hij ten volle aan dat voorschrift toepassing moeten geven. Dit wil zeggen dat een ontslag per

19 juli 2008, zoals in reactie op het rapport van Kemperman is vermeld, niet mogelijk is.

6. Appellant heeft tijdig verzocht om vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar. Nu de Raad het besluit van 4 oktober 2007 zal herroepen wegens aan het bestuur te wijten onrechtmatigheid, is er aanleiding het bestuur op grond van artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 8:75 van die wet te veroordelen in de kosten van appellant in bezwaar. Deze kosten worden begroot op € 644,- aan kosten van rechtsbijstand. In het vorenstaande vindt de Raad verder aanleiding het bestuur op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van € 1.518,- eveneens aan kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 9 juli 2008 gegrond;

- vernietigt dat besluit voor zover dit het ontslag betreft;

- herroept het besluit van 4 oktober 2007;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

- bepaalt dat het bestuur aan betrokkene het in beroep en in hoger beroep betaalde

griffierecht van in totaal € 372,- vergoedt;

- veroordeelt het bestuur in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 2.162,-.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.G. Treffers en K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 mei 2012.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) M.R. Schuurman.

HD