Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW6544

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-05-2012
Datum publicatie
24-05-2012
Zaaknummer
11-3203 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag op grond van artikel 99 van het ARAR. De Rvdr heeft in redelijkheid kunnen besluiten, nu hij kon vaststellen dat er sprake was van een impasse, aan appellant ontslag te verlenen ‘op andere gronden’. Appellant kan dus niet worden gevolgd in zijn stelling dat de Rvdr hier wel erg gemakkelijk een ontslaggrond heeft kunnen hanteren nadat hij appellant zich had laten oriënteren op een functie buiten de eigen organisatie en nadat hij vervolgens heeft gezegd dat terugkeer niet meer mogelijk is, zelfs zonder dit serieus te onderzoeken. De rechtbank is ook op goede gronden tot het oordeel gekomen dat appellant niet kan worden gevolgd in zijn stelling dat de ontslagverlening gepaard had moeten gaan met een hogere of langere uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2012/151
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/3203 AW Q.

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 20 april 2011, 09/6929 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad voor de rechtspraak (Rvdr)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Rvdr heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2012. Appellant is verschenen. De Rvdr heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.M. Wevers, advocaat, en [H.].

OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreid overzicht van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellant is vanaf 2002 enige jaren bij de Rvdr werkzaam geweest als netwerkbeheerder. Na functioneringsproblemen en een langdurige periode van overspannenheid is appellant in augustus 2005 adviseur Huisvesting en Facility geworden.

1.2. Blijkens gespreksverslagen heeft appellant in 2005 een positieve ontwikkeling doorgemaakt, maar is de aandacht gevraagd voor tijdige communicatie, planmatig werken en het behouden van overzicht. In 2006 hebben zich een paar incidenten voorgedaan en is vastgesteld dat de ambitie van appellant elders lag. Op basis van een gehouden test en gesprekken is vastgesteld dat appellant zich wilde toeleggen op de technische kant van de IT. Een functie in dat kader was niet beschikbaar bij het bureau van de Rvdr. Daarom is afgesproken met externe hulp, in het bijzonder van bureau Stap en het Centrum voor Loopbaan Ontwikkeling (CLO), te zoeken naar een functie elders.

1.3. In het verslag van een tussentijds functioneringsgesprek van 30 juli 2007 zijn ernstige punten van kritiek op appellants functioneren neergelegd. In oktober 2007 bleek dat appellant te weinig tijd vrijmaakte voor het begeleidingstraject van CLO, waaraan appellant ook in werktijd aandacht mocht geven. Vanaf 15 februari 2008 is appellant voor een dag in de week vrijgesteld om een andere baan te zoeken. In een gesprek van 21 juli 2008 is aan appellant volledig buitengewoon verlof verleend om te kunnen zoeken naar een baan elders. Appellant begreep dat dit traject eindig was. Het verlof werd verleend tot 1 december 2008. Naast de hulp van CLO werd appellant ook begeleiding aangeboden door Styx Career Company. Door toedoen van appellant is die begeleiding pas laat op gang gekomen.

1.4. Omdat het functioneren van appellant onvoldoende werd geacht en omdat de inspanningen, gedurende een lange periode, om een baan elders te vinden, niet waren geslaagd, heeft de Rvdr appellant op 14 oktober 2008 in kennis gesteld van zijn voornemen hem ontslag te verlenen. Nadat appellant zijn zienswijze op dat voornemen had gegeven, heeft de Rvdr appellant met ingang van 10 september 2009 ontslag verleend. Het ontslag werd primair verleend op grond van ongeschiktheid als bedoeld in artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) en subsidiair op grond van artikel 99 van het ARAR: in de loop der tijd was er een impasse ontstaan die aan een vruchtbare samenwerking in de weg stond. Na bezwaar is het ontslagbesluit gehandhaafd bij besluit van 4 september 2009 (bestreden besluit).

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft weliswaar geoordeeld dat niet voldoende is komen vast te staan dat appellant ongeschikt was voor de vervulling van zijn functie, zodat de Rvdr niet bevoegd was appellant op die grond ontslag te verlenen, maar zij heeft de Rvdr wel bevoegd geacht appellant met toepassing van artikel 99 van het ARAR ontslag te verlenen omdat objectief bezien sprake was van een impasse. De Rvdr heeft naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn ontslagbevoegdheid, waarbij is meegewogen dat appellant ruim twee en een half jaar door de Rvdr is ondersteund bij het zoeken naar een externe functie. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat de Rvdr in redelijkeid heeft kunnen volstaan met het, ingevolge het tweede lid van artikel 99 van het ARAR, treffen van een zogenoemde reguliere uitkeringsregeling, nu zich niet de situatie voordeed dat het de Rvdr was die een overwegend aandeel heeft gehad in het ontstaan en voortbestaan van de impasse die tot het ontslag heeft geleid.

3. De Raad komt naar aanleiding van de standpunten van partijen in hoger beroep tot de volgende beoordeling.

3.1. Appellant heeft op goede gronden vooropgesteld dat in hoger beroep niet meer ter discussie staat een ontslag op grond van artikel 98 van het ARAR.

3.2. Appellant kan niet worden gevolgd in zijn stelling dat de Rvdr ‘niet eenduidig is in de gronden voor het ontslag op grond van art. 99 ARAR’. Zoals blijkt uit de onder 1.2 en 1.3 weergegeven feiten en omstandigheden heeft de Rvdr immers, nadat appellant zelf te kennen had gegeven dat zijn ambities elders lagen, consequent ingezet op het zoeken van een baan elders. De Rvdr heeft daarbij externe instanties ingeschakeld en ver gaande faciliteiten geboden. Over de eindigheid van het traject heeft de Rvdr geen misverstand laten bestaan. Wel had hij appellant in duidelijker bewoordingen kunnen laten weten dat een niet succesvol einde van het begeleidingstraject tot ontslag zou leiden, maar appellant had ook zonder die expliciete mededeling daarmee ernstig rekening kunnen en behoren te houden. Daarbij is van belang dat appellant gedurende langere tijd eerst gedeeltelijk en later zelfs volledig is vrijgesteld van het verrichten van werkzaamheden, juist om zich te richten op het verkrijgen van een baan buiten het bereik van de Rvdr. Binnen dat bereik was er immers voor appellant niet een passende functie beschikbaar. Verder verdient vermelding dat appellant, die meermalen te kennen gaf dat zijn ambities elders lagen, zich gedurende nagenoeg het hele traject niet heeft verzet tegen de door de Rvdr in dat verband gezette stappen. Tot slot is van betekenis dat het functioneren van appellant in de laatste jaren niet probleemloos was.

3.3. De rechtbank heeft daarom op goede gronden - in lijn met de rechtspraak van de Raad, zoals bijvoorbeeld in de door de Rvdr genoemde uitspraak van 13 september 2007, TAR 2008, 37 en LJN BB3989 - kunnen oordelen dat de Rvdr in redelijkheid heeft kunnen besluiten, nu hij kon vaststellen dat er sprake was van een impasse, aan appellant ontslag te verlenen ‘op andere gronden’. Appellant kan dus niet worden gevolgd in zijn stelling dat de Rvdr hier wel erg gemakkelijk een ontslaggrond heeft kunnen hanteren nadat hij appellant zich had laten oriënteren op een functie buiten de eigen organisatie en nadat hij vervolgens heeft gezegd dat terugkeer niet meer mogelijk is, zelfs zonder dit serieus te onderzoeken.

3.4. De rechtbank is ook op goede gronden tot het oordeel gekomen dat appellant niet kan worden gevolgd in zijn stelling dat de ontslagverlening gepaard had moeten gaan met een hogere of langere uitkering. De verwijzing door de rechtbank naar de vaste rechtspraak van de Raad, ook te vinden in de onder 3.3 genoemde uitspraak, is juist.

4. Op grond van het bovenstaande komt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter J.Th. Wolleswinkel en A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 mei 2012.

(get.) H.A.A.G. Vermeulen.

(get.) J.M. Tason Avila.

HD