Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW6543

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-05-2012
Datum publicatie
24-05-2012
Zaaknummer
10-956 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Afwijzing aanvraag bijstandsuitkering. Appellant heeft in strijd met de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over zijn woon- en verblijfsituatie en als gevolg waarvan zijn recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. 2) Het besluit tot het niet verstrekken van een briefadres in de brief van 14 augustus 2009 is niet op enig rechtsgevolg gericht. De weigering is niet gericht op de vaststelling dan wel de wijziging van een bijstandsuitkering. Het college heeft dan ook het bezwaar tegen de weigering in de brief van 14 augustus 2009 terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/956 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 28 januari 2010, 09/4781 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

Datum uitspraak: 22 mei 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. van der Wal, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2012. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.M. Diderich.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Op 7 juli 2009 heeft appellant zich gemeld voor het doen van een aanvraag om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Bij deze aanvraag is aan appellant een zogenoemd 10-dagenformulier uitgereikt, met het verzoek om hierop zijn verblijfplaats(en) in te vullen. Op 21 juli 2009 is aan appellant opnieuw een 10-dagenformulier verstrekt. Appellant heeft op 5 augustus 2009 een 10-dagenformulier ingeleverd. Bij die gelegenheid is met hem over zijn verblijfplaatsen gesproken. Vervolgens is op 12 augustus 2009 door de handhavingsspecialist van de gemeente Amsterdam een rapport van bevindingen opgemaakt. Bij besluit van 14 augustus 2009 heeft het college de aanvraag om bijstand afgewezen op de grond dat appellant onvolledige inlichtingen heeft verschaft over zijn woon- of verblijfplaats, zodat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. In een separate brief van 14 augustus 2009 heeft het college het verzoek van appellant om het kantoor van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (Dienst) als briefadres te gebruiken, afgewezen.

1.2. Bij besluit van 8 oktober 2009 (bestreden besluit I) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 14 augustus 2009 tot afwijzing van de aanvraag om bijstand ongegrond verklaard. Bij separaat besluit van 8 oktober 2009 (bestreden besluit II) heeft het college het bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek om het kantoor van de Dienst als briefadres te gebruiken, niet-ontvankelijk verklaard, op de grond dat die afwijzing geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen de bestreden besluiten I en II ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat sprake is van een bijzondere situatie, omdat hij geen huisvesting heeft. Hierdoor is het onmogelijk te voldoen aan de door het college gestelde eisen aangaande de vraag waar hij in een bepaalde periode heeft verbleven. Op grond hiervan had het college moeten afwijken van zijn beleid.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ten aanzien van het bestreden besluit I

4.1. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld CRvB 23 november 2010, LJN BO4807) bestrijkt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in geval van een aanvraag om bijstand in beginsel de periode vanaf de datum van de aanvraag tot en met de datum van het primaire besluit. Dit betekent dat hier beoordeeld dient te worden de periode van 7 juli 2009 tot en met 14 augustus 2009.

4.2. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed zijn op het recht op bijstand. Op grond van artikel 53a, eerste lid, van de WWB bepaalt het college welke gegevens ten behoeve van de verlening van bijstand dan wel de voortzetting daarvan door de belanghebbende in ieder geval worden verstrekt en welke bewijsstukken worden overgelegd, alsmede de wijze en het tijdstip waarop de verstrekking van gegevens plaatsvindt.

4.3.Voor de beoordeling van het recht op bijstand vormt de woon- en leefsituatie van de aanvrager een essentieel gegeven. Het is dan ook van belang dat de aanvrager juiste en volledige informatie verschaft omtrent zijn woonadres. De vraag waar iemand woont dient te worden beantwoord aan de hand van de concrete feiten en omstandigheden.

4.4. Anders dan appellant stelt, heeft de situatie dat hij niet over eigen huisvesting beschikt niet tot gevolg dat hij geen inlichtingen hoeft te verstrekken over zijn verblijfssituatie. Ook in geval van het ontbreken van een woonadres rust op hem, als aanvrager van bijstand, de verplichting om controleerbare gegevens te verschaffen over zijn verblijfplaats(en). Gelet op artikel 53a van de WWB is het verder aan het college om te bepalen op welke wijze die gegevens worden verschaft. Het college hanteert daarbij een 10-dagendormulier. De stelling van appellant, zo begrijpt de Raad, dat hij vanwege de bijzondere omstandigheid van het ontbreken van een woonadres niet gehouden is om het 10-dagenformulier in te vullen en daarbij controleerbare gegevens te verstrekken, wordt niet gevolgd.

4.5. Uit de onder 1.1 genoemde rapportage van 12 augustus 2009 komt naar voren dat appellant tijdens het gesprek op 5 augustus 2009 geen duidelijke en eenduidige verklaringen heeft afgelegd over zijn feitelijke woon- en/of verblijfplaats in de periode vanaf 7 juli 2009. Appellant heeft onder meer verklaard bij vrienden te hebben verbleven, maar heeft dat verblijf niet nader gespecificeerd. Bij het op 5 augustus 2009 ingeleverde 10-dagenformulier zijn ook geen bewijsstukken gevoegd van de op het formulier genoemde verblijfplaatsen. Het college heeft, zo blijkt uit de rapportage, geprobeerd de door middel van het formulier en tijdens het gesprek verstrekte informatie te verifiëren, maar dat heeft niet geleid tot duidelijkheid over de verblijfplaatsen van appellant. Appellant heeft ook niet kunnen aangeven waar hij in de dagen vanaf 5 augustus 2009 zou verblijven.

4.6. Op grond van het voorgaande komt de Raad met het college en de rechtbank tot de conclusie dat appellant in strijd met de ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over zijn woon- en verblijfsituatie en dat als gevolg daarvan zijn recht op bijstand, ten tijde in geding, niet kan worden vastgesteld.

Ten aanzien van het bestreden besluit II.

4.7. Met de rechtbank komt de Raad tot de conclusie dat het besluit tot het niet verstrekken van een briefadres in de brief van 14 augustus 2009 niet op enig rechtsgevolg is gericht. De weigering is niet gericht op de vaststelling dan wel de wijziging van een bijstandsuitkering. Het college heeft dan ook het bezwaar tegen de weigering in de brief van 14 augustus 2009 terecht niet-ontvankelijk verklaard.

5. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en H.C.P. Venema en C.H. Bangma als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.M. van Gorkum als griffier, uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2012.

(get.) C. van Viegen.

(get.) N.M. van Gorkum.

KR