Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW6406

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-05-2012
Datum publicatie
24-05-2012
Zaaknummer
11-4817 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Het onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt is voldoende zorgvuldig geweest en de bevindingen en conclusies van dat onderzoek kunnen het bestreden besluit dragen. Door appellante is niet aannemelijk gemaakt dat haar medische beperkingen zijn onderschat en dat zij niet in staat is haar arbeid te verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/4817 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 14 juli 2011, 11/204 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 23 mei 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, met als bijlage een rapportage van een bezwaarverzekeringsarts.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2012, waar appellante is verschenen, vergezeld van haar echtgenoot [naam echtgenoot]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.

OVERWEGINGEN

1. Appellante, laatstelijk werkzaam als schoonmaakster van kantoren voor 16 uur per week, is op 19 januari 2010 uitgevallen met pijnklachten aan haar rechterschouder. In dat kader heeft zij meerdere keren het spreekuur van de verzekeringsarts bezocht. Op het laatste spreekuur van 27 september 2010 is de verzekeringsarts op basis van anamnese en bevindingen uit lichamelijk onderzoek tot de conclusie gekomen dat appellante ondanks haar resterende klachten weer volledig geschikt is voor haar eigen werk als schoonmaakster. Bij besluit van gelijke datum wordt appellantes uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) met ingang van 4 oktober 2010 beëindigd. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 9 december 2010 (bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van bezwaarverzekeringsarts S.N. van Erk-Raes van 7 december 2010 ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank was op grond van de dossierstukken en de bevindingen van appellantes orthopedisch chirurg A.M.E. Giesberts van oordeel dat moet worden aangenomen dat de (bezwaar)verzekeringsartsen bij appellante niet van te geringe medische beperkingen zijn uitgegaan. Appellante wordt volgens de rechtbank derhalve per 4 oktober 2010 terecht in staat geacht het eigen werk van schoonmaakster te verrichten.

3. In hoger beroep heeft appellante -samengevat- de juistheid van het oordeel van de rechtbank betwist. Volgens appellante kan zij gelet op de ernst en omvang van haar medische beperkingen niet in staat worden geacht om weer als schoonmaakster aan het werk te gaan.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek, recht op ziekengeld. Naar de Raad reeds bij herhaling heeft overwogen dient onder ‘zijn arbeid’ te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid.

4.2. De Raad staat derhalve voor de beantwoording van de vraag of hij zich kan stellen achter het oordeel van de rechtbank dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante met ingang van 4 oktober 2010 in staat moet worden geacht om haar arbeid als schoonmaakster van kantoren te kunnen verrichten.

4.3. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het er bij een hersteldverklaring in het kader van de ZW om gaat of betrokkene als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte per de datum in geding verhinderd is de in aanmerking komende arbeid te vervullen. Daarbij staat ter beoordeling of het onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voldoende zorgvuldig is geweest en of de bevindingen en conclusies van dat onderzoek het bestreden besluit kunnen dragen. Naar het oordeel van de Raad is daarvan in de onderhavige zaak sprake. De Raad wijst hier op het meergenoemde rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 7 december 2010, alsmede op de rapportages van 28 januari 2011, 11 mei 2011 en 30 september 2011 waarin inzichtelijk gemotiveerd is ingegaan op de door appellante bij de rechtbank ingebrachte brief van haar behandelend orthopedisch chirurg, respectievelijk de in beroep en hoger beroep aangevoerde beroepsgronden. Met de rechtbank acht de Raad door appellante niet aannemelijk gemaakt dat haar medische beperkingen zijn onderschat en dat zij niet in staat is haar arbeid te verrichten.

4.4. In de in hoger beroep overgelegde medische informatie van manueel arts H. Bultman van 13 februari 2012 ziet de Raad geen grond voor een andersluidend oordeel. Uit deze informatie blijkt dat het onderzoek door deze arts en de daaruit voortvloeiende onderzoeksbevindingen zien op een periode ruim na de datum in geding. De Raad onderschrijft dan ook het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts, zoals beschreven in het rapport van 28 maart 2012.

4.5. Gelet op de onderzoeksbevindingen van de behandelend arts sluit de Raad niet uit dat appellantes schouderafwijkingen na de datum in geding zijn verslechterd, een beoordeling hiervan valt echter buiten de omvang van het onderhavige geding. Dit geldt eveneens voor het door appellante overgelegde besluit van 16 februari 2012 waarbij zij, naar aanleiding van een ziekmelding in december 2011, per 20 februari 2012 wederom voor haar arbeid hersteld verklaard is.

5. Uit hetgeen in 4.3 tot en met 4.5 overwogen is volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van L. van Eijndthoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2012.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) L. van Eijndthoven.

SG