Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW6398

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-05-2012
Datum publicatie
24-05-2012
Zaaknummer
11-4525 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering toekenning ZW-uitkering. Er is sprake van een voldoende medische grondslag. Een afwijkende karakterstructuur of persoonlijkheidsstoornis kan in zijn algemeenheid niet als een ziekte of gebrek worden gekwalificeerd en kan derhalve ook geen voor de ZW in aanmerking te nemen beperkingen met zich brengen. Op de datum in geding is geen als ziekte of gebrek te duiden toestand aanwezig. Van schending van de redelijke termijn door de Raad is geen sprake.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/4525 ZW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 juni 2011, 08/2333 en 08/2334 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 23 mei 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.J. Ouderdorp, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Ouderdorp. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is met ingang van 24 september 2001 met een tijdelijk dienstverband van één jaar in dienst getreden als sociotherapeutisch medewerker bij het Ministerie van Justitie. Vanuit de situatie dat hij een werkloosheidsuitkering ontving, heeft appellant zich op 20 november 2003 met ingang van 25 september 2002 ziek gemeld.

1.2. Bij besluit van 30 juni 2008 (bestreden besluit) heeft het Uwv onder meer het bezwaar van appellant tegen het besluit van 25 mei 2007 ongegrond verklaard onder wijziging van de grondslag. Het Uwv stelt zich op het standpunt dat appellant op 25 september 2002 niet arbeidsongeschikt is in de zin van de Ziektewet (ZW).

2.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak onder meer het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en bepaald dat het onderzoek wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het verzoek van appellant om schadevergoeding in verband met de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden door de rechtbank.

2.2. Met betrekking tot het bestreden besluit heeft de rechtbank in navolging van het oordeel van de door haar ingeschakelde deskundige G. Nabarro, psychiater, en onder verwijzing naar de vaste rechtspraak dat de rechter in beginsel het oordeel van de door haar geraadpleegde deskundige volgt, geoordeeld dat appellant op 25 september 2002 niet ongeschikt is te achten voor het verrichten van zijn arbeid en dat het Uwv terecht heeft geweigerd per die datum aan appellant een ZW-uitkering toe te kennen.

3.1. Appellant is in hoger beroep gekomen voor zover de rechtbank heeft geoordeeld dat hij per 25 september 2002 niet in aanmerking komt voor een ZW-uitkering. Appellant neemt het standpunt in dat de rechtbank het oordeel van de deskundige onjuist heeft uitgelegd. Appellant heeft schadevergoeding gevorderd vanwege het niet-uitbetalen van de

ZW-uitkering en vanwege overschrijding van de redelijke termijn als onder 2.1 bedoeld.

3.2. Het Uwv heeft verzocht de uitspraak van de rechtbank te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Gelet op de inhoud van het hoger beroepschrift en het verhandelde ter zitting stelt de Raad vast dat appellant in hoger beroep is gekomen tegen het oordeel van de rechtbank dat het Uwv bij het bestreden besluit terecht heeft geweigerd appellant met ingang van 25 september 2002 een ZW-uitkering toe te kennen. De Raad stelt verder vast dat met betrekking tot de gevorderde schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM appellant in hoger beroep uitsluitend het oog heeft op overschrijding van de redelijke termijn door de Raad.

4.2.1. De Raad kan zich verenigen met hetgeen in de aangevallen uitspraak is overwogen met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit. Hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht, heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht. Evenals de rechtbank komt ook de Raad tot de conclusie dat de deskundige Nabarro in zijn rapport van 17 mei 2010 de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts heeft bevestigd. De deskundige heeft te kennen gegeven dat de klachten en symptomen van appellant niet voldoen aan de diagnostische criteria van een syndromale psychiatrische stoornis. Wel lijkt er volgens de deskundige sprake te zijn van desadaptieve persoonlijkheidskenmerken. Anders dan appellant heeft aangevoerd, heeft de deskundige bij appellant geen persoonlijkheidsstoornis vastgesteld. De deskundige heeft in zijn rapport verder aangegeven dat er sprake is van persoonlijkheidsproblematiek die appellant beperkt in zijn functioneren.

4.2.2. De Raad voegt hieraan toe dat volgens vaste rechtspraak, onder meer de uitspraak van 23 februari 2005, LJN AS9172, een afwijkende karakterstructuur of persoonlijkheidsstoornis in zijn algemeenheid niet als een ziekte of gebrek kan worden gekwalificeerd en derhalve ook geen voor de ZW in aanmerking te nemen beperkingen met zich kan brengen. Uit die rechtspraak komt ook naar voren dat, ofschoon de (afwijkende) karakterstructuur of persoonlijkheidsstoornis op zich niet als ziekte of gebrek is aan te merken, dit wel kan bijdragen tot het ontstaan van een als ziekte of gebrek te kwalificeren toestand. In het onderhavige geval ziet de Raad daarvoor geen aanknopingspunten in het rapport van de deskundige van 17 mei 2010 nu de deskundige met betrekking tot appellant geen syndromale psychiatrische stoornis aanwezig acht. Ook overigens acht de Raad op de datum in geding geen als ziekte of gebrek te duiden toestand aanwezig.

4.2.3. De Raad concludeert dat de rechtbank terecht de beslissing van het Uwv tot weigering aan appellant van een ZW-uitkering met ingang van 25 september 2002 in stand heeft gelaten. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd. Het verzoek om schadevergoeding vanwege niet uitbetalen van de ZW-uitkering dient te worden afgewezen.

4.3. De behandeling van het hoger beroep door de Raad heeft vanaf de ontvangst van het hoger beroepschrift op 2 augustus 2011 tot de datum van deze uitspraak, 23 mei 2012, bijna tien maanden geduurd. Met verwijzing naar de uitspraak van 26 januari 2009, LJN BH1009, stelt de Raad vast dat van schending van de redelijke termijn door de Raad geen sprake is. Het verzoek van appellant om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn door de Raad moet worden afgewezen.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

-wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J. Riphagen en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2012.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) H.L. Schoor.

JL