Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW6396

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-05-2012
Datum publicatie
24-05-2012
Zaaknummer
11-4868 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging ZW-uitkering. Bij het Uwv bestond voldoende inzicht in de aard en belasting van het eigen werk van appellant. De bezwaarverzekeringsarts heeft inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat appellant per de datum hier in geding geschikt is voor zijn arbeid. Er zijn geen aanknopingspunten om te oordelen dat de klachten van appellant en de daaruit voortvloeiende beperkingen zijn onderschat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/4868 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 juli 2011, 10/4855 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 23 mei 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Haze, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2012, waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Haze. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 30 augustus 2010 is appellant’s uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) ingaande 31 augustus 2010 beeindigd omdat hij door de verzekeringsarts weer geschikt werd bevonden voor zijn arbeid als community manager voor 40 uur per week.

1.2. Het bezwaar tegen dit besluit is bij besluit van 25 oktober 2010 (bestreden besluit) met verwijzing naar het rapport van de bezwaarverzekeringsarts P. van de Merwe van 22 oktober 2010 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe -samengevat- overwogen dat het medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsarts voldoende zorgvuldig is geweest en dat er geen aanknopingspunten zijn om te oordeelden dat de medische situatie van appellant op de datum in geding, 31 augustus 2010, niet juist is vastgesteld.

3. In hoger beroep heeft appellant de juistheid van het oordeel van de rechtbank betwist. Het door de artsen van het Uwv verrichte onderzoek naar zijn lichamelijke en mentale klachten is, zo stelt appellant, onvolledig geweest. Daarnaast waren zijn klachten per de datum in geding nog dusdanig ernstig dat hij niet in staat was te hervatten. Appellant stelt zich dan ook op het standpunt dat hij per de datum in geding ten onrechte hersteld verklaard is voor zijn arbeid.

4. De Raad, oordelend over hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt als volgt.

4.1. Ingevolge artikel 19 van de ZW bestaat recht op ziekengeld indien de verzekerde wegens ziekte of gebrek ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid. Onder ‘zijn arbeid’ wordt verstaan het laatstelijk voor de aanvang van de ziekmelding feitelijk verrichte werk. Nu appellant laatstelijk voor 40 uur per week werkzaam is geweest als community manager, is deze functie terecht als maatstaf arbeid aangemerkt. Naar het oordeel van de Raad bestond bij het Uwv, gelet op het rapport van de verzekeringsarts van 30 augustus 2010 voldoende inzicht in de aard en belasting van dat werk. Uit dit rapport komt naar voren dat het voornamelijk zittend kantoorwerk betrof, waarbij een toilet in de nabije omgeving aanwezig was.

4.2. Inzake de medische onderbouwing van het bestreden besluit leidt hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht de Raad niet tot een ander oordeel dan de rechtbank. De Raad betrekt daarbij dat de verzekeringsarts, naast zijn eigen onderzoeksbevindingen, informatie van de behandelend psycholoog drs. I. de Vries en MDL-arts dr. T.J. Tang bij zijn beoordeling betrokken heeft. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts appellant op de hoorzitting gezien en kennis genomen van de zich in het dossier bevindende medische gegevens. Uitgaande van deze gegevens heeft de bezwaarverzekeringsarts inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat appellant per de datum hier in geding, rekening houdende met zijn darm- en psychische klachten, geschikt is voor zijn arbeid. Nu ook in hoger beroep door appellant geen medische informatie is overgelegd die aanknopingspunten biedt om te oordelen dat de klachten van appellant en de daaruit voortvloeiende beperkingen op 31 augustus 2010 zijn onderschat, heeft de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand gelaten en het ingestelde beroep ongegrond verklaard.

4.3. Hetgeen hiervoor onder 4.1 en 4.2 is overwogen leidt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van L. van Eijndthoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2012.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) L. van Eijndthoven.

SG