Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW6393

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-05-2012
Datum publicatie
24-05-2012
Zaaknummer
10-6326 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering herziening WAO-uitkering. Er is geen aanleiding de door de bezwaarverzekeringsarts getrokken conclusies over de functionele mogelijkheden van appellant op de datum in geding voor onjuist te houden. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de toelichting op de geschiktheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies toereikend is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6326 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 15 oktober 2010, 09/1918 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 23 mei 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.F. van den Berg, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 27 maart 2012 heeft mr. Van den Berg nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2012. Appellant is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. H. ten Brinke.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat bij zijn beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Aan appellant is met ingang van 7 september 1990 een uitkering in het kader van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 27 februari 2009 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant met ingang van 17 maart 2009 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.

1.2. Met een brief, bij het Uwv binnengekomen op 17 maart 2009, heeft appellant een melding toegenomen klachten/ziekmelding gedaan per 10 maart 2009. In het kader van deze melding is appellant onderzocht door psychiater A.B. van Nijen. Op grond van diens rapport van 23 juni 2009 is een uitkering in het kader van de Ziektewet geweigerd. Mede op basis van genoemd rapport is bezwaarverzekeringsarts A. Colijn in een rapport van 8 oktober 2009 tot de conclusie gekomen dat er geen medische redenen zijn om de door de primaire verzekeringsarts opgesteld Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) voor onjuist te houden. Met de beslissing van 9 oktober 2009 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 27 februari 2009 ongegrond verklaard.

2.1. Aan de rechtbank is namens appellant ingezonden een expertise van bedrijfsarts S.G. Hekkert. Deze expertise ging vergezeld van informatie van Th.J. Semeijn, revalidatiearts, C. Bosman, psychiater en H. Colombijn, psycholoog, alsmede informatie van de werkgever van appellant en gegevens over het revalidatietraject.

2.2. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat het onderzoek door het Uwv voldoende diepgaand en zorgvuldig is geweest en de getrokken conclusies voldoende onderbouwd zijn. De expertise van Hekkert en de daarbij gevoegde informatie doen daar niet aan af. Ook de geschiktheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies is voldoende gebleken. De rechtbank heeft het beroep dan ook ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep is namens appellant, ter nadere onderbouwing van zijn al in bezwaar en beroep aangevoerde gronden, een rapport ingezonden van psychiater dr. L. Timmerman van 27 januari 2011.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Appellant is destijds uitgevallen met, met name, psychische klachten en hij heeft in de loop der tijd pijnklachten gekregen. Het Uwv heeft, om een duidelijk beeld te krijgen van de psychische klachten en de medisch objectiveerbaarheid daarvan, appellant laten onderzoeken door dr. Van Nijen. De conclusies van Van Nijen zijn vervolgens door de bezwaarverzekeringsarts betrokken bij de beoordeling van de juistheid van de eerder opgestelde FML. Het Uwv is aldus uitgegaan van recente medische gegevens. De Raad heeft geen aanleiding de door de bezwaarverzekeringsarts getrokken conclusies over de functionele mogelijkheden van appellant op de datum in geding voor onjuist te houden. Ook Timmerman vermeldt in zijn rapport dat hij van mening is dat, wat betreft de datum in geding, de bezwaarverzekeringsarts voldoende rekening heeft gehouden met de psychische beperkingen van appellant. Wel meldt hij een verslechtering in de psychische conditie van appellant in 2010. Ter zitting is namens het Uwv gemeld dat appellant sinds 17 november 2010 weer een WAO-uitkering ontvangt naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het Uwv is echter van mening dat de toename van de arbeidsongeschiktheid zich heeft voltrokken na de datum in geding en dus geen invloed heeft op het bestreden besluit. Gezien het rapport van Timmerman kan de Raad het Uwv hierin volgen.

4.2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de toelichting op de geschiktheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies toereikend is. De mate van arbeidsongeschiktheid is door het Uwv, voor de datum 17 maart 2009, terecht vastgesteld op 15 tot 25%.

4.3. Uit 4.1 en 4.2 volgt dat de aangevallen uitspraak bevestigd moet worden.

5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J. Riphagen en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2012.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) H.L. Schoor.

EK