Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW6323

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-05-2012
Datum publicatie
24-05-2012
Zaaknummer
11-4855 ZW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging uitkering ingevolge de ZW. Bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/4855 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 29 juni 2011, 11/1303 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak 23 mei 2012.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. F.E.R.M. Verhagen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Verhagen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.L. Clemens.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was laatstelijk tot 25 september 2009 werkzaam als milieulaborant. Op 27 juli 2010 heeft appellant zich met terugwerkende kracht tot 10 december 2009 ziek gemeld met psychische klachten. In verband daarmee is appellant op 31 augustus 2010 gezien op het spreekuur van de verzekeringsarts die appellant per 6 september 2010 weer volledig geschikt achtte voor zijn werk. Dienovereenkomstig heeft het Uwv bij besluit van 31 augustus 2010 aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 6 september 2010 geen recht meer heeft op ziekengeld.

1.2. Appellant heeft op 2 januari 2011 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 31 augustus 2010. Bij besluit van 17 januari 2011 (bestreden besluit), heeft het Uwv dit bezwaar, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 14 januari 2011, niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellant niet heeft ontkend het primaire besluit te hebben ontvangen. De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat het feit dat appellant gedurende de bezwaartermijn (tijdelijk) niet op het bij het Uwv bekende adres verbleef, niet wegneemt dat appellant tijdig bezwaar had kunnen maken. Uit de door appellant overgelegde verklaringen blijkt niet dat hij binnen de bezwaartermijn van twee weken volgend op 31 augustus 2010 dusdanige psychische klachten had dat hij niet in staat was, eventueel met hulp, tijdig een bezwaarschrift in te dienen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv het bezwaar van appellant terecht niet-ontvankelijk verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het hem niet verweten kan worden dat hij zijn bezwaarschrift niet tijdig heeft ingediend dan wel zijn belangen door een ander heeft laten behartigen. Hij kampt met forse psychische problemen waardoor er ten tijde van het primaire besluit problemen ontstonden binnen de thuissituatie op het adres aan de [adres] te [woonplaats], dusdanig dat hem van 7 augustus 2010 tot 17 augustus 2010 een huisverbod is opgelegd. Dit huisverbod is vervolgens verlengd tot 4 september 2010. Appellant heeft zijn toevlucht toen gezocht in het “[naam stichting]” te [vestigingsplaats], Stichting maatschappelijke Opvang Breda e.o.. Na ommekomst van het huisverbod is op 11 september 2010 de situatie geëscaleerd. Appellant is na aangifte door zijn moeder aangehouden en per die datum in verzekering gesteld. Met ingang van 24 september 2010 is de voorlopige hechtenis geschorst onder oplegging van een straatverbod voor de [adres] te [woonplaats].

4.1. De Raad, oordelend over hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.

4.2. De Raad stelt vast dat niet in geschil is dat het bezwaarschrift te laat is ingediend. Aan de orde is uitsluitend de vraag of de termijnoverschrijding verschoonbaar is.

4.3. De Raad ziet in hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd geen reden anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. Uit de in beroep overgelegde verklaring van de klinisch psycholoog A. van Dam blijkt naar het oordeel van de Raad niet dat appellant binnen de bezwaartermijn van twee weken volgend op 31 augustus 2010 dusdanige psychische klachten had dat hij niet in staat was, eventueel met hulp, tijdig een bezwaarschrift in te dienen. De Raad onderschrijft in dit verband de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts neergelegd in de rapportage van 12 april 2011 en haar conclusie dat er om medische reden geen sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding. De bezwaarverzekeringsarts stelt in deze rapportage vast dat appellant ondanks het huisverbod en zijn verblijf in het [naam stichting] op 31 augustus 2010 is verschenen op het spreekuur van de verzekeringsarts, hij heeft de oproep voor het spreekuur ontvangen, begrepen wat er van hem verwacht werd en hierop adequaat gereageerd. De verzekeringsarts heeft daarbij vastgesteld dat appellant weer in staat was de gevolgen van zijn handelen te overzien. De bezwaarverzekeringsarts geeft verder aan dat appellant op 31 augustus 2010 verbleef in het [naam stichting] vanwege agressief gedrag, bedreigingen en vernielingen in en om het huis. Volgens de bezwaarverzekeringsarts zijn dat weliswaar ernstige gedragsstoornissen, maar die hoeven niet het gevolg te zijn van een chronische psychiatrische aandoening die zo ernstig is dat appellant niet tijdig een bezwaarschrift kan indienen. De Raad onderschrijft het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts dat de informatie van klinisch psycholoog Van Dam, die overigens ziet op de periode vanaf november 2010, niet eenduidig is en onvoldoende onderbouwd daar waar de psycholoog enerzijds stelt dat hij geen onderzoek heeft kunnen doen, maar anderzijds wel een ernstige medische toestand oppert, maar desondanks geen reden ziet een psychiater in te schakelen. De Raad ziet dan ook in navolging van de bezwaarverzekeringsarts in deze informatie geen aanknopingspunten voor het oordeel dat appellant tijdens de bezwaartermijn niet zelf of met hulp van bijvoorbeeld de casemanager een bezwaarschrift had kunnen indienen. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat appellant in hoger beroep geen nieuwe medische informatie heeft overgelegd op grond waarvan de Raad tot een andersluidend oordeel zou moeten komen.

5. Uit hetgeen hiervoor onder 4.2 en 4.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van L. van Eijndthoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 mei 2012.

(get.) C.P.J. Goorden.

(get.) L.van Eijndthoven.

SG