Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW6284

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-05-2012
Datum publicatie
22-05-2012
Zaaknummer
11-3002 WAZ-T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellante heeft op de WAZ-aanvraag haar woonadres vermeld. Tevens heeft zij een postadres vermeld. Uit het dossier blijkt niet dat appellante op enig moment nadien een ander correspondentieadres heeft doorgegeven. Het Uwv heeft het postadres ook gehanteerd, maar - bij uitzondering - niet voor de toezending van het primaire besluit. Het Uwv heeft het primaire besluit niet op de juiste wijze bekend gemaakt door dit te zenden aan het woonadres van appellante, terwijl appellante kenbaar had gemaakt dat een postadres dient te worden gebruikt. De omstandigheid dat appellante bij de GBA stond ingeschreven op het opgegeven woonadres en daar mogelijk ook daadwerkelijk verbleef, doet hieraan niet af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/3002 WAZ-T

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 13 april 2011, 10/4147 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 16 mei 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E.C. Helmink-van Oudheusden, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2012. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Helmink-van Oudheusden. Het Uwv zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.

OVERWEGINGEN

1. Appellante was voor 32 uur per week werkzaam als IT-medewerkster bij de TU Delft. Daarnaast startte appelante in 1996 een eigen assurantiekantoor. Op 23 september 1996 is appellante vanwege meerdere somatische klachten uitgevallen voor haar werkzaamheden bij de TU. Na een auto-ongeval in augustus 1997 kwamen daar whiplashklachten bij. In de periode 22 september 1997 tot 21 april 2000 ontving appellante een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

1.2. Appellante heeft een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheids-verzekering zelfstandigen (WAZ) aangevraagd in verband met verergerde whiplashklachten als gevolg van een auto-ongeval op 20 augustus 2002. Bij besluit van 15 december 2008 heeft het Uwv appellante een WAZ-uitkering geweigerd. Op 16 juli 2009 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een beslissing op haar WAZ-aanvraag. Bij besluit van 28 augustus 2009 heeft het Uwv het bezwaar van appellante, onder verwijzing naar en meezending van het besluit van 15 december 2008, ongegrond verklaard. Appellante heeft bij brief van 11 september 2009 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 15 december 2008.

1.3. Bij besluit van 6 mei 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv beslist op het bezwaar. Het Uwv heeft overwogen dat gebleken is dat het besluit van 15 december 2008 naar het verkeerde adres is gestuurd, zodat een niet-ontvankelijkverklaring wegens termijnoverschrijding niet aan de orde was. Het bezwaarschrift van 11 september 2009 is in behandeling genomen en het bezwaar wordt ongegrond verklaard.

1.4. Appellante heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij verweerschrift van 14 januari 2011 heeft het Uwv de rechtbank verzocht het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk te verklaren. Het Uwv heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de constatering ‘dat het besluit abusievelijk naar het woonadres is gezonden’ niet een verschoonbare reden is om te laat bezwaar in te stellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het bezwaar van 11 september 2009 alsnog niet-ontvankelijk verklaard, omdat zich geen situatie voordoet als bedoeld in artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellante in de communicatie naar het Uwv wisselende mededelingen heeft gedaan over haar woonsituatie. Het Uwv heeft er voor gekozen het besluit van 15 december 2008 te zenden naar het woonadres van appellante, waarvan zij op 21 november 2008 bevestigde dat dit haar woonadres was. Naar het oordeel van de rechtbank dient het voor het risico van appellante te blijven dat zij hier (kennelijk) toch geen mogelijkheid had om aan haar post te komen.

3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de termijnoverschrijding wel verschoonbaar was. Het besluit van 15 december 2008 is naar een adres gezonden waarvan zij vooraf bij het Uwv had aangegeven dat dit adres niet in de correspondentie gebruikt kon worden, daar hier herhaaldelijk post zoek raakte.

4. Inzake de ontvankelijkheid van het bezwaar overweegt de Raad als volgt.

4.1. Appellante heeft op de WAZ-aanvraag als woonadres aangegeven: [adres 1] te [woonplaats]. Als postadres heeft zij vermeld: [adres 2] te [woonplaats]. Uit het dossier blijkt niet dat appellante op enig moment nadien een ander correspondentie-adres heeft doorgegeven.

4.2. Artikel 6:7 van de Awb bepaalt dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken bedraagt. Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. Volgens artikel 3:40 treedt een besluit niet in werking voordat het is bekendgemaakt. Artikel 3:41, eerste lid, van de Awb bepaalt dat bekendmaking van een besluit geschiedt door toezending of uitreiking aan de belanghebbende(n), onder wie begrepen de aanvrager.

4.3. Het Uwv heeft, gelet op bovengenoemde artikelen, het besluit niet op de juiste wijze bekend gemaakt door dit te zenden aan het woonadres van appellante, terwijl appellante kenbaar had gemaakt dat een postadres dient te worden gebruikt. Het Uwv heeft dit postadres ook gehanteerd, maar - bij uitzondering - niet voor de toezending van het besluit van

15 december 2008. De omstandigheid dat appellante inderdaad bij de Gemeentelijke Basis Administratie stond ingeschreven op het adres [adres 1] te [woonplaats] en daar mogelijk ook daadwerkelijk verbleef, doet hieraan niet af.

4.4. Het voorgaande brengt met zich dat het Uwv het besluit van 15 december 2008, door dit als bijlage bij de beslissing op bezwaar van 28 augustus 2009 te zenden aan het correspondentie-adres van appellante, pas toen ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van de Awb, op een juiste wijze bekend heeft gemaakt, zodat de termijn van het indienen van een bezwaarschrift, ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb op 29 augustus 2009 is aangevangen. Gelet op de datum van ontvangst van het bezwaarschrift, 17 september 2009, heeft appellante tijdig bezwaar gemaakt.

5. Uit het vorenoverwogene volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

6. Partijen hebben ter zitting aangegeven in te stemmen met inhoudelijke behandeling van het hoger beroep. De Raad overweegt als daartoe volgt.

6.1. Bij het besluit van 15 december 2008 is appellante een WAZ-uitkering geweigerd, omdat zij niet arbeidsongeschikt is in de zin van de WAZ. Aan dit besluit ligt een medisch onderzoek per einde van de wachttijd ten grondslag van een verzekeringsarts van 16 september 2008. Bij het bestreden besluit is het tegen dit besluit ingediende bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is gebaseerd op de rapportage van bezwaarverzekeringsarts A. Mirza van 13 maart 2009, opgesteld op basis van hetgeen tijdens de hoorzitting en het door de bezwaarverzekeringsarts verrichte onderzoek naar voren is gekomen. Deze rapportage ziet echter op de behandeling van het bezwaar tegen een besluit in het kader van de WAO van

23 juli 2008. Een specifiek op de WAZ-situatie toegesneden beoordeling, noch medisch noch arbeidskundig, is niet verricht. Tijdens de zitting is door het Uwv erkend dat dit onderzoek niet is gedaan. Het bestreden besluit is slechts gebaseerd op de rapportage van een verzekeringsarts van 18 september 2008. Dit brengt de Raad tot de conclusie dat het bestreden besluit niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en in strijd is met artikel 7:12 van de Awb omdat het (in ieder geval) geen voldoende medische en arbeidskundige grondslag heeft.

6.2. Teneinde te kunnen komen tot een finale beslechting van het geschil is er aanleiding om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het Uwv opdracht te geven het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Het Uwv dient alsnog een medische beoordeling te verrichten, naar aanleiding van de door de bezwaarverzekeringsarts op te stellen rapportage, zo nodig gevolgd door een rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige, het bestreden besluit nader te onderbouwen, dan wel een nader besluit te nemen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. H. Bolt en mr. J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2012.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) I.J. Penning

NW