Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW6249

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-05-2012
Datum publicatie
22-05-2012
Zaaknummer
10-4872 WIA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek van appellant om schadevergoeding vanwege het langzaam en onzorgvuldig afhandelen van zijn WIA-aanvraag. De WIA-besluiten zijn onrechtmatig en deze onrechtmatigheid kan aan het Uwv worden toegerekend. De gestelde materiële schade en immateriële schade heeft appellant onvoldoende concreet onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/4872 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 22 juli 2010, 09/1592 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 11 mei 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.A. Severijn, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Severijn. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.P. Veldman.

OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 17 maart 2006 heeft het Uwv een aanvraag om aan appellant met ingang van 13 maart 2006 een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) toe te kennen afgewezen. Bij besluit van 26 april 2006 heeft het Uwv vastgesteld dat ook nadien geen sprake is van een toegenomen arbeidsongeschiktheid. De bezwaren tegen beide besluiten heeft het Uwv bij besluiten van 21 juli 2006 ongegrond verklaard. De tegen deze besluiten ingestelde beroepen heeft de rechtbank Roermond bij uitspraak van 20 maart 2008 gegrond verklaard. Ter uitvoering van deze uitspraak heeft het Uwv bij besluit van 4 juni 2008 de bezwaren alsnog gegrond verklaard, appellant voor 35 tot 80% arbeidsongeschikt geacht en hem met ingang van 13 maart 2006 in aanmerking gebracht voor een WGA-uitkering. Het tegen dit laatste besluit door appellant ingestelde beroep heeft de rechtbank Roermond bij uitspraak van 27 augustus 2009 ongegrond verklaard. Appellant heeft tegen deze uitspraak geen hoger beroep ingesteld.

2. Bij besluit van 16 februari 2009 heeft het Uwv het verzoek van appellant om schadevergoeding vanwege het langzaam en onzorgvuldig afhandelen van zijn WIA-aanvraag afgewezen. Het hiertegen gerichte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 30 september 2009 ongegrond verklaard.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 30 september 2009 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

3.1. De rechtbank heeft in de eerste plaats vastgesteld dat de besluiten van 17 maart 2006 en 26 april 2006 onrechtmatig zijn en dat deze onrechtmatigheid aan het Uwv kan worden toegerekend.

3.2. De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat appellant met de door hem overgelegde stukken geen materiële schade ten gevolge van de onrechtmatige besluiten heeft aangetoond. Het merendeel van deze stukken heeft betrekking op data gelegen voor de onrechtmatige besluiten, uit geen van deze stukken valt op te maken wat de relatie is met deze besluiten, laat staan dat er sprake is van een opgave van daadwerkelijk geleden schade als gevolg van deze besluiten, aldus de rechtbank.

3.3.1. Bij de beantwoording van de vraag of er voldoende aanleiding bestaat om immateriële schadevergoeding toe te kennen heeft de rechtbank overwogen dat zoveel mogelijk aansluiting dient te worden gezocht bij het civielrechtelijk schadevergoedingsrecht. Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft een benadeelde in overeenstemming met artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW), recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De wetgever heeft daarbij het oog gehad op ernstige inbreuken op de persoonlijke levenssfeer alsook op andere persoonlijkheidsrechten van de betrokkene. Hiertoe is onvoldoende dat sprake is van een meer of minder sterk psychisch onbehagen en van een zich gekwetst voelen door een onrechtmatig besluit van een bestuursorgaan.

3.3.2 Uit de door appellant overgelegde rapporten blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dan wel onvoldoende dat de psychische problemen van appellant het gevolg zijn van de onrechtmatige besluiten. De rechtbank acht aannemelijk dat bij appellant ten gevolge van genoemde besluiten gevoelens van onbehagen en frustratie zijn ontstaan, maar appellant heeft niet door middel van genoemde rapporten dan wel op andere wijze aannemelijk gemaakt dat hij door deze besluiten en het hierop volgende handelen van het Uwv op zich zelf dan wel tezamen immateriële schade heeft geleden die het Uwv dient te worden toegerekend.

4. In hoger beroep heeft appellant slechts verwezen naar hetgeen hij in beroep heeft aangevoerd en meent daarom recht te hebben op schadevergoeding.

5.1. De Raad volgt appellant niet in die mening. De Raad kan zich volledig verenigen met de overwegingen en het daarop gegronde oordeel van de rechtbank. Mede naar aanleiding van het verhandelde ter zitting voegt de Raad daaraan nog het volgende toe.

5.2. Over de materiële schade heeft appellant in de kern betoogd dat de bank vanwege zijn onzekere inkomenssituatie geen medewerking wilde verlenen aan het verstrekken van een nieuwe lening voor een goedkopere woning en dat hij daardoor kosten heeft moeten maken die anders achterwege zouden zijn gebleven, althans beduidend lager zouden zijn geweest. Appellant heeft evenwel ook in hoger beroep nagelaten zijn stelling concreet te onderbouwen.

Zoals appellant zelf heeft betoogd, hebben de onrechtmatige besluiten niet geleid tot een inkomensachteruitgang omdat hij in de periode na 13 maart 2006 een WW-uitkering genoot die even hoog was als de WGA-uitkering waarop hij uiteindelijk recht bleek te hebben. Mede bezien tegen deze achtergrond had het op zijn weg gelegen concreet onderbouwd te stellen dat, indien het Uwv hem gelijk in aanmerking had gebracht voor de hem bij besluit van 4 juni 2008 toegekende WGA-uitkering, de bank zijn inkomenssituatie wel als voldoende zeker zou hebben beoordeeld en hem een nieuwe lening zou hebben verstrekt. Dit heeft appellant nagelaten.

Bovendien heeft appellant ter zitting verklaard zijn oude woning nooit te hebben verkocht en hier tot op de dag van vandaag nog in te wonen. De situatie van een nieuwe (goedkopere) woning is dus een hypothetische. De door appellant gestelde schade ziet ook op kosten die hij heeft gemaakt ter voldoening van de woonlasten van zijn oude woning. Zonder nadere toelichting, welke ontbreekt, valt niet in te zien hoe deze kosten krachtens artikel 6:98 BW in zodanig verband staan met de onrechtmatige besluiten dat deze kosten als schade voor vergoeding in aanmerking komen.

5.3. De gestelde immateriële schade heeft appellant evenmin voldoende concreet onderbouwd. In hoger beroep heeft appellant geen (aanvullende) informatie overgelegd waaruit blijkt dat zijn psychische problemen het gevolg zijn van de onrechtmatige besluiten. Bovendien heeft appellant ter zitting verklaard dat hij blij was met de hem bij besluit van 4 juni 2008 met terugwerkende kracht toegekende WGA-uitkering. Appellant heeft ook berust in dit besluit. Het moet er daarom voor worden gehouden dat met het besluit van 4 juni 2008 geheel aan bezwaren van appellant tegen de onrechtmatige besluiten tegemoet is gekomen. Appellant heeft ter zitting verder aangevoerd dat hij er pas in 2009, na het besluit over zijn WGA-vervolguitkering, achter kwam dat hij terugviel in inkomen met alle (financiële) problemen van dien. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt evenwel niet in te zien waarom dientengevolge geleden schade in causaal verband staat met de hier aan de orde zijnde onrechtmatige besluiten. De vraag of ten gevolge van dit latere besluit geleden schade voor vergoeding in aanmerking komt, valt buiten de omvang van dit geding.

5.4. Uit 5.1 tot en met 5.3 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.C.W. Lange en D.J. van der Vos als leden, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2012.

(get.) J.W. Schuttel.

(get.) N.S.A. El Hana.

JL