Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW6238

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-05-2012
Datum publicatie
22-05-2012
Zaaknummer
11-1216 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Berisping. Plichtsverzuim bestaande uit huiselijk geweld. Zo er sprake is geweest van een schop, dan lopen de verklaringen over aard en ernst daarvan zo sterk uiteen, dat deze onvoldoende grond vormen om daarop de overtuiging van plichtsverzuim te baseren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2012/153
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/1216 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], (appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 14 januari 2011, 09/620 (aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Korpsbeheerder van de politieregio Groningen (korpsbeheerder)

Datum uitspraak: 16 mei 2012

I. PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. D.C. Coppens, advocaat. De korpsbeheerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [W.].

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellant is werkzaam bij de politieregio Groningen. Hij was ten tijde in geding werkzaam als buurtagent in [plaatsnaam 1]. In 1997 heeft hij een relatie gekregen met H, een collega van het politiebureau in [plaatsnaam 1]. In datzelfde jaar zijn ze gaan samenwonen in de woning van appellant. De relatie is in april 2008 beëindigd. Betrokkenen hebben afgesproken dat H in de woning kon blijven wonen tot zij andere woonruimte had. Wanneer appellant ook in de woning verbleef zou zij op de bank slapen.

1.2. Op 12 juli 2008 heeft H melding gedaan van aanranding van haar lichamelijke integriteit door appellant. Naar aanleiding daarvan is een disciplinair onderzoek verricht, dat op 22 september 2008 met een rapport is afgesloten. Op basis van dit rapport heeft de korpsbeheerder bij brief van 28 oktober 2008 geconcludeerd dat appellant H enige jaren tevoren (circa 2004) een trap onder haar achterwerk had gegeven en dat hij haar op 12 juli 2008 tegen haar uitdrukkelijke wil had geprobeerd te bewegen tot seks. Deze feiten heeft de korpsbeheerder, als onderdeel van een patroon in een relatie waarin vaker sprake was van (wederkerig) handgemeen en gewelddadigheid, gekwalificeerd als huiselijk geweld en als zodanig als zeer ernstig plichtsverzuim. Dit plichtsverzuim bracht de korpsbeheerder tot het voornemen appellant voorwaardelijk ontslag te verlenen en hem met toepassing van artikel 64 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) over te plaatsen.

1.3. Nadat op verzoek van appellant aanvullend onderzoek was verricht en naar aanleiding van het verantwoordingsgesprek nader aanvullend onderzoek was verricht, heeft de korpsbeheerder in zijn besluit disciplinaire strafoplegging van 17 februari 2009 een tweetal constateringen geformuleerd die uitmondden in een heroverweging van de voorgenomen maatregelen. De eerste constatering was, kort samengevat, dat een nadere verklaring van H aanleiding gaf om een hernieuwde toenaderingspoging van H jegens appellant te veronderstellen en het slachtofferschap van H te relativeren, waarbij niet uitgesloten werd dat H de gebeurtenissen op 12 juli 2008 om haar moverende redenen had aangegrepen om appellant in een kwaad daglicht te stellen. De tweede constatering was dat getuigen, en ook H zelf, zodanig vaak en onafhankelijk van elkaar hadden verklaard over jaloezie, rancune en zelfs een zekere berekenendheid van H, dat ook dit als wegingsfactor niet verwaarloosd mocht worden. Een en ander was voor de korpsbeheerder aanleiding wat betreft de strafoplegging te volstaan met het opleggen van een schriftelijke berisping op grond van artikel 77, eerste lid, aanhef en onder a, van het Barp, omdat de korpsbeheerder van mening bleef dat appellant met de hem verweten gedragingen de grenzen van wat voor een politieman binnen een relatie toelaatbaar is niet alleen heeft opgezocht, maar ook heeft overschreden. Voorts heeft de korpsbeheerder besloten appellant als buurtagent over te plaatsen naar de basiseenheid [plaatsnaam 2].

2. Het tegen het besluit van 17 februari 2009 gemaakte bezwaar heeft de korpsbeheerder bij besluit van 26 mei 2009 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant ongegrond verklaard.

4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht, overweegt de Raad het volgende.

4.1. Ter zitting van de Raad heeft appellant verklaard nu te berusten in zijn overplaatsing naar de basiseenheid [plaatsnaam 2]. Het hoger beroep richt zich dus nog uitsluitend tegen de opgelegde berisping. Appellant bestrijdt dat hij de hem verweten gedragingen heeft begaan.

4.2. De Raad stelt voorop dat weliswaar in het ambtenarentuchtrecht niet die strikte bewijsregels gelden die in het strafrecht van toepassing zijn, doch dat anderzijds ook voor de constatering van plichtsverzuim dat tot disciplinaire bestraffing aanleiding kan geven noodzakelijk is dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde, gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar zich heeft gedragen zoals hem is verweten.

4.3. Op basis van de gedingstukken en de verklaring van appellant ter zitting heeft de Raad wel de overtuiging verkregen dat de langdurige relatie tussen appellant en H tumultueus is geweest, waarbij over en weer sprake is geweest van niet uitsluitend liefdevol handgemeen. Anders dan de korpsbeheerder en de Rechtbank heeft de Raad echter uit de beschikbare gegevens niet de overtuiging kunnen verkrijgen dat appellant de twee concrete hem als plichtsverzuim verweten gedragingen heeft vertoond.

4.4. Wat betreft de gestelde gebeurtenissen van 12 juli 2008, waarbij H, die bij appellant in zijn huis overnachtte, naar haar zeggen tegen haar wil blootgesteld zou zijn aan een poging tot seks van de zijde van appellant, terwijl appellant heeft verklaard de hele nacht in zijn eigen bed te hebben geslapen, heeft de korpsbeheerder - ondanks twijfels over de motieven van H - doorslaggevende betekenis toegekend aan het gegeven dat H over haar lezing van het gebeurde consistente en gedetailleerde verklaringen heeft afgelegd. Daar tegenover heeft de korpsbeheerder naar het oordeel van de Raad ten onrechte niet (zichtbaar) meegewogen dat H blijkens de gedingstukken op meerdere andere punten onjuiste verklaringen heeft afgelegd. Voorts heeft de korpsbeheerder niet (zichtbaar) meegewogen de voor appellant ontlastende verklaring die de buren van appellant, bij monde van [naam buurvrouw], op 30 januari 2009 hebben afgelegd over een gesprek dat zij begin augustus 2008 met H hadden gevoerd. H had aan hen verteld dat appellant geschorst was en dat ze aangifte tegen hem had gedaan van mishandeling. “Mijn man vroeg hier toen op door. Hij vroeg of [naam appellant] (appellant) haar had geslagen of geknepen of wat dan ook. Zij vertelde toen duidelijk dat dit niet het geval was. Omdat zij ontkennend antwoordde vroeg mijn man: “wat dan”. Ze vertelde dat [naam appellant] wel eens een dreigende houding aannam. Ook bij deze gelegenheid herhaalde ze dat [naam appellant] en zij het zo goed zouden kunnen hebben. Ze zei dat [naam appellant] niet met haar verder wilde. Ze zei dat ze er voor zorgen dat hij nooit weer in [plaatsnaam] aan het werk zou komen en dat ze hem kapot zou maken. Toen ze wegliep maakte ze nog een opmerking dat hij eigenlijk een agressief mannetje was.” De Raad heeft moeten vaststellen dat, hoewel in het onderzoeksdossier is opgenomen dat deze verklaring aanleiding zou kunnen zijn om opnieuw met H te spreken, zulks om onduidelijke redenen is nagelaten. De Raad ziet geen aanleiding aan de juistheid van deze verklaring - die ernstige twijfel doet rijzen aan de geloofwaardigheid van hetgeen H over de gebeurtenissen op 12 juli 2008 heeft verklaard - te twijfelen. De Raad ziet verder niet in, waarom de onder 1.3 vermelde constateringen over H slechts een rol spelen als wegingsfactor bij de strafoplegging en niet ook al bij de vraag of appellant zich aan de hem verweten gedraging heeft schuldig gemaakt.

4.5. Wat betreft de gestelde schop tegen het achterste in circa 2004 stelt de Raad vast dat tegenover de ontkennende verklaring van appellant uiteenlopende verklaringen staan van H en haar beide minderjarige zoons. Zo spreekt de ene zoon van een karatetrap “in haar achterste”, terwijl de andere spreekt van een opzettelijke schop tegen haar achterste en daaraan toevoegt: “ik denk dat het mijn moeder pijn deed, maar nog meer, schrok zij van het feit dat hij haar schopte”. De Raad is van oordeel dat, zo er sprake is geweest van een schop, de verklaringen over aard en ernst daarvan zo sterk uiteenlopen, dat deze onvoldoende grond vormen om daarop de overtuiging van plichtsverzuim te baseren.

4.6. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep doel treft. De Raad zal, voor zover aangevochten, de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit vernietigen en het primaire besluit herroepen.

5. De Raad ziet aanleiding de korpsbeheerder te veroordelen in de kosten van appellant in bezwaar tot een bedrag van € 644,-, in beroep tot een bedrag van € 644,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 874,- aan kosten van rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit voor zover aangevochten;

- herroept het primaire besluit voor zover aangevochten;

- bepaalt dat de korpsbeheerder aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 377,- vergoedt;

- veroordeelt de korpsbeheerder in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.162,-.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.G. Treffers en K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2012.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) M.R. Schuurman.

HD