Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BW6231

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-05-2012
Datum publicatie
22-05-2012
Zaaknummer
11-548 AW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag. Plichtsverzuim, bestaande uit de weigering haar werkzaamheden gedeeltelijk te hervatten, ondanks de uitdrukkelijke waarschuwing voor disciplinaire maatregelen, de stopzetting van de bezoldiging en het deskundigenoordeel van het Uwv. Deze weigering is aan te merken als ernstig plichtverzuim en is appellante ook toe te rekenen, aangezien de door haar aangedragen (medische) gegevens ook achteraf geen steun bieden voor haar stelling dat zij op medische gronden niet in staat was om te re-integreren in de aangeboden werkzaamheden. De raad van bestuur heeft uiterst zorgvuldig gehandeld. De opgelegde straf van ontslag is niet onevenredig aan de ernst van het plichtsverzuim, mede in aanmerking genomen dat de raad van bestuur appellante heeft gewezen op de mogelijke gevolgen van haar weigering haar werk deels te hervatten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2012/152
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/548 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 15 december 2010, 10/731 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het academisch ziekenhuis Maastricht (raad van bestuur)

Datum uitspraak 16 mei 2012

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. D.E. de Hoop hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingezonden.

De raad van bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2012. Voor appellante is mr. De Hoop verschenen. De raad van bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.J. Leroi-van Deur en [D.].

OVERWEGINGEN

1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat met het volgende.

1.1. Appellante was sinds 1998 werkzaam bij het Academisch ziekenhuis Maastricht (azM), laatstelijk als groepssecretaresse voor 20 uur per week bij de Instrumentele Dienst (ID) en voor 4 uur per week bij de Dienst Geestelijke Verzorging (GV).

1.2. Met ingang van 30 oktober 2008 is appellante uitgevallen wegens psychische klachten. De bedrijfsarts achtte appellante in januari 2009 nog arbeidsongeschikt en adviseerde om haar gedeeltelijk te laten hervatten in goed afgebakende werkzaamheden, rekening houdend met haar beperkingen. Appellante heeft vanaf 29 januari 2009 tweemaal gedeeltelijk hervat in de aangeboden werkzaamheden. Omdat zij zich daartoe niet in staat achtte heeft zij zich weer ziek gemeld. Op verzoek van appellante heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) op 2 april 2009 een deskundigenoordeel gegeven. Dat oordeel luidde dat het aangeboden werk voor appellante niet passend is omdat zij geen benutbare mogelijkheden heeft. Een tweede bedrijfsarts deelde dat oordeel. In mei 2009 adviseerde een derde bedrijfsarts appellante gedeeltelijk te laten hervatten en het contact tussen haar en het azM te herstellen.

1.3. In een gesprek op 4 juni 2009 tussen het azM en appellante over haar re-integratie is onder meer afgesproken dat een arbeidsdeskundige van ArboNed een arbeidsdeskundig onderzoek zal instellen en dat appellante in afwachting van zijn advies ziek blijft. De arbeidsdeskundige heeft op basis van gesprekken met het azM en met appellante, een bezichtiging van de werkplek en overleg met de bedrijfsarts op 7 juli 2009 een rapport uitgebracht. Zijn conclusie is dat appellante in staat is haar eigen werk via een opbouwschema geleidelijk volledig te hervatten. Het rapport van de arbeidsdeskundige vermeldt verder dat appellante volgens de bedrijfsarts - tijdelijke - beperkingen heeft in het persoonlijk en sociaal functioneren en een urenbeperking. Gezien de verstoorde verstandhouding vindt de arbeidsdeskundige het niet verstandig om appellante te laten hervatten bij de ID. Hij adviseert haar voor vier uur per week bij GV te laten hervatten en daarnaast een andere werkplek binnen het azM te zoeken, en het werk in uren en zwaarte geleidelijk op te bouwen met tussentijdse evaluatiemomenten, te beginnen met twee maal vier uur per week.

1.4. Op 23 juli 2009 is met appellante gesproken over het re-integratietraject. Concreet is voorgesteld dat zij, te beginnen op 18 augustus 2009, gedurende twee maal vier uur per week in werkzaamheden elders binnen het azM zal hervatten. Op 4 augustus 2009 heeft appellante te kennen gegeven dat zij het niet eens is met de opvatting van de arbeidsdeskundige dat zij in staat is te hervatten in passend werk gedurende twee maal vier uur per week. Zij acht zich hiertoe niet in staat en heeft wederom een deskundigenoordeel van het Uwv gevraagd. Bij brief van 13 augustus 2009 heeft de leidinggevende van appellante haar meegedeeld dat van haar geen medisch onderbouwde argumenten zijn vernomen op grond waarvan het oordeel dat zij op 18 augustus 2009 kan hervatten zou moeten worden herzien, en haar gesommeerd op het afgesproken tijdstip gehoor te geven aan de oproep tot werkhervatting. Ook is haar meegedeeld dat het aanvragen van een deskundigenoordeel de hervatting van de werkzaamheden niet opschort en dat volharding in het niet hervatten gevolgen zal hebben voor de aanspraak op bezoldiging en als plichtsverzuim zal worden aangemerkt. Op 18 augustus 2009 heeft appellante herhaald dat zij zich nog niet tot werkhervatting in staat acht.

1.5. Bij besluit van 19 augustus 2009 heeft de raad van bestuur de loonbetaling naar rato van de door appellante te werken uren met ingang van 18 augustus 2009 met toepassing van artikel 8.5.5, tweede lid, aanhef en onder d, van de CAO UMC, opgeschort op de grond dat zij zonder deugdelijke grond weigert aangeboden passende werkzaamheden te verrichten, waartoe de Arbodienst haar in staat acht terwijl het azM haar daartoe in de gelegenheid stelt.

1.6. De raad van bestuur heeft op 20 augustus 2009 aan appellante het voornemen kenbaar gemaakt om haar een disciplinaire straf op te leggen. Bij brief van 21 september 2009 heeft appellante gebruik gemaakt van de gelegenheid haar zienswijze te geven. Op 6 oktober 2009 heeft de raad van bestuur aangekondigd uit een oogpunt van zorgvuldigheid nog een onderzoek door een deskundige, te weten een hoogleraar psychiatrie en neuropsychologie, verbonden aan het azM, te willen laten verrichten en appellante in verband daarmee verzocht een machtiging te tekenen. Een reactie van appellante hierop is uitgebleven. Op 15 oktober 2009 heeft het Uwv een deskundigenoordeel gegeven, inhoudende dat het werk dat de werkgever van appellante heeft aangeboden passend is.

1.7. Vervolgens heeft de raad van bestuur bij besluit van 21 oktober 2009 appellante met ingang van 1 november 2009 op grond van artikel 11.2, eerste lid, aanhef en onder e, van de CAO UMC de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd aangezien zij zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim als bedoeld in artikel 11.1 van de CAO UMC.

1.8. Bij besluit van 16 april 2010, aangevuld op 25 mei 2010 (bestreden besluit), heeft de raad van bestuur de bezwaren tegen de besluiten van 19 augustus 2009 en 21 oktober 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd overweegt de Raad het volgende.

3.1. Of appellante, voor zover zij in de periode voorafgaand aan het onder 1.3 vermelde arbeidsdeskundig re-integratieonderzoek niet heeft hervat in de haar aangeboden werkzaamheden, daarvoor steeds een geldige reden heeft gehad, laat de Raad in het midden. Zij had echter geen deugdelijke reden om geen gevolg te geven aan de - herhaalde - oproep van de raad van bestuur om op 18 augustus 2009 gedeeltelijk te hervatten in de door de arbeidsdeskundige geadviseerde aangepaste werkzaamheden. Daarbij is van belang dat het ging om werkzaamheden waarin zij, rekening houdend met haar beperkingen, gedeeltelijk en geleidelijk - volgens een opbouwschema - zou kunnen hervatten. Appellante heeft weliswaar een deskundigenoordeel aangevraagd bij het Uwv, maar de raad van bestuur heeft haar er terecht op gewezen dat die aanvraag haar niet ontsloeg van de verplichting tot werkhervatting. De raad van bestuur heeft zich daarom terecht bevoegd geacht toepassing te geven aan de in artikel 8.5.5, tweede lid en onder d, van de CAO UMC neergelegde bepaling.

3.2. Na het besluit van 19 augustus 2009 heeft appellante volhard in haar weigering haar werkzaamheden gedeeltelijk te hervatten, ondanks de uitdrukkelijke waarschuwing voor disciplinaire maatregelen, de stopzetting van de bezoldiging en het deskundigenoordeel van het Uwv. Deze weigering is aan te merken als ernstig plichtverzuim en is appellante ook toe te rekenen, aangezien de door haar aangedragen (medische) gegevens ook achteraf geen steun bieden voor haar stelling dat zij in augustus 2009 op medische gronden niet in staat was om te re-integreren in de aangeboden werkzaamheden. De rapportage van het RIAGG van 23 februari 2010 kan appellante niet baten, omdat de daarin vermelde diagnose eerst na de intake in december 2009 is gesteld en de rapporteur de vraag naar de beperkingen van appellante voor het verrichten van arbeid niet kon beantwoorden. Het in hoger beroep in het geding gebrachte rapport van 16 maart 2012 van de verzekeringsarts Offermans kan appellante evenmin baten. De conclusie van dat rapport luidt dat appellante op en na 19 augustus 2009 niet in staat was de voorgehouden werkzaamheden te hervatten omdat het arbeidsconflict rond die datum zodanig was ge√ęscaleerd en haar fobische problematiek zo sterk was toegenomen dat werkhervatting geen kans van slagen had. Die conclusie is niet gebaseerd op een gesprek met appellante, vindt onvoldoende steun in de overige beschikbare medische gegevens en gaat er bovendien aan voorbij dat het ging om werkzaamheden die appellante met inachtneming van haar beperkingen kon verrichten en waarbij als werkomgeving juist niet was gekozen voor de ID, omdat daar ook volgens de arbeidsdeskundige sprake was van verstoorde verhoudingen.

3.3. Gezien het voorgaande was de raad van bestuur bevoegd om appellante disciplinair te straffen. Daarbij verdient opmerking dat de raad van bestuur uiterst zorgvuldig heeft gehandeld, nu hij voorafgaand aan de uitvoering van het voornemen een disciplinaire straf op te leggen nog een deskundige heeft willen raadplegen over de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante en haar mogelijkheden om aangepast werk te verrichten. Dit voornemen is niet uitgevoerd omdat een reactie van appellante hierop uitbleef. Aan de verklaring die appellante hiervoor ter zitting van de Raad heeft gegeven, namelijk dat zij niet met de keuze van de deskundige kon instemmen omdat deze haar leidinggevende zou zijn, gaat de Raad voorbij.

De opgelegde straf van ontslag is niet onevenredig aan de ernst van het plichtsverzuim, mede in aanmerking genomen dat de raad van bestuur appellante heeft gewezen op de mogelijke gevolgen van haar weigering haar werk deels te hervatten.

3.4. Gezien het voorgaande slaagt het hoger beroep niet en moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.G. Treffers en K.J. Kraan als leden, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2012.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) M.R. Schuurman.

HD